Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. Hauswart:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Hauswart (Duits) in het Nederlands

Hauswart:

Hauswart [der ~] zelfstandig naamwoord

  1. der Hauswart (Pförtner; Hausmeister; Portier; )
    de conciërge; de portier

Vertaal Matrix voor Hauswart:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
conciërge Hausmeister; Hauswart; Hauswirt; Pförtner; Portier; Schlag; Schließer Hausmeister; Portier
portier Hausmeister; Hauswart; Hauswirt; Pförtner; Portier; Schlag; Schließer Aufseher; Portier; Wächter; Wärter

Synoniemen voor "Hauswart":


Wiktionary: Hauswart


Cross Translation:
FromToVia
Hauswart concierge janitor — caretaker