Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. Nebensache:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Nebensache (Duits) in het Nederlands

Nebensache:

Nebensache [die ~] zelfstandig naamwoord

  1. die Nebensache
    de bijzaak
    • bijzaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. die Nebensache (Kleinigkeit; Detail; Einzelheit)
    de kleinigheid; de bagatel; het akkefietje

Vertaal Matrix voor Nebensache:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
akkefietje Detail; Einzelheit; Kleinigkeit; Nebensache
bagatel Detail; Einzelheit; Kleinigkeit; Nebensache Bagatelle; Ding; Dingelchen; Kleinigkeit; Lappalie
bijzaak Nebensache
kleinigheid Detail; Einzelheit; Kleinigkeit; Nebensache Bagatelle; Bißchen; Ding; Dingelchen; Firlefanz; Kleinigkeit; Klimbim; Lappalie; Nippsache; Schnicksnack; Wenig; kleines Geschenk