Overzicht
Duits naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. ebnen:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor ebnen (Duits) in het Nederlands

ebnen:

ebnen werkwoord (ebne, ebnest, ebnet, ebnete, ebnetet, geebnet)

  1. ebnen (flächen; egalisieren; polieren; )
    egaliseren; gelijkmaken; effenen; gladmaken
    • egaliseren werkwoord (egaliseer, egaliseert, egaliseerde, egaliseerden, geëgaliseerd)
    • gelijkmaken werkwoord (maak gelijk, maakt gelijk, maakte gelijk, maakten gelijk, gelijk gemaakt)
    • effenen werkwoord (effen, effent, effende, effenden, geëffend)
    • gladmaken werkwoord (maak glad, maakt glad, maakte glad, maakten glad, gladgemaakt)
  2. ebnen (abplatten; egalisieren)
    effenen; platmaken; afplatten
    • effenen werkwoord (effen, effent, effende, effenden, geëffend)
    • platmaken werkwoord (maak plat, maakt plat, maakte plat, maakten plat, plat gemaakt)
    • afplatten werkwoord (plat af, platte af, platten af, afgeplat)
  3. ebnen
    rechtmaken
    • rechtmaken werkwoord (maak recht, maakt recht, maakte recht, maakten recht, recht gemaakt)
  4. ebnen (egalisieren; glätten; ausstreichen)
    vereffenen; effenen; egaliseren
    • vereffenen werkwoord (vereffen, vereffent, vereffende, vereffenden, vereffend)
    • effenen werkwoord (effen, effent, effende, effenden, geëffend)
    • egaliseren werkwoord (egaliseer, egaliseert, egaliseerde, egaliseerden, geëgaliseerd)
  5. ebnen (nivellieren; ausgleichen; egalisieren)
    gelijkmaken; nivelleren; vlak maken
    • gelijkmaken werkwoord (maak gelijk, maakt gelijk, maakte gelijk, maakten gelijk, gelijk gemaakt)
    • nivelleren werkwoord (nivelleer, nivelleert, nivelleerde, nivelleerden, genivelleerd)
    • vlak maken werkwoord

Conjugations for ebnen:

Präsens
  1. ebne
  2. ebnest
  3. ebnet
  4. ebnen
  5. ebnet
  6. ebnen
Imperfekt
  1. ebnete
  2. ebnetest
  3. ebnete
  4. ebneten
  5. ebnetet
  6. ebneten
Perfekt
  1. habe geebnet
  2. hast geebnet
  3. hat geebnet
  4. haben geebnet
  5. habt geebnet
  6. haben geebnet
1. Konjunktiv [1]
  1. ebne
  2. ebnest
  3. ebne
  4. ebnen
  5. ebnet
  6. ebnen
2. Konjunktiv
  1. ebnete
  2. ebnetest
  3. ebnete
  4. ebneten
  5. ebnetet
  6. ebneten
Futur 1
  1. werde ebnen
  2. wirst ebnen
  3. wird ebnen
  4. werden ebnen
  5. werdet ebnen
  6. werden ebnen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde ebnen
  2. würdest ebnen
  3. würde ebnen
  4. würden ebnen
  5. würdet ebnen
  6. würden ebnen
Diverses
  1. ebn!
  2. ebnet!
  3. ebnen Sie!
  4. geebnet
  5. ebnend
1. ich, 2. du, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr, 6. sie/Sie

Vertaal Matrix voor ebnen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gelijkmaken Angleichen; Assimilieren; Ebnen; Nivellieren
nivelleren Angleichen; Assimilieren; Ebnen; Nivellieren
vereffenen Abrechnen
vlak maken Abflachen; Abgraben; Glättem
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afplatten abplatten; ebnen; egalisieren
effenen abplatten; ausbügeln; ausstreichen; bügeln; ebnen; egalisieren; florieren; flächen; funkeln; glatthobeln; glimmen; glitzern; glätten; polieren; schaben; schimmern; schleifen; schlichten; schmirgeln
egaliseren ausbügeln; ausstreichen; bügeln; ebnen; egalisieren; florieren; flächen; funkeln; glatthobeln; glimmen; glitzern; glätten; polieren; schaben; schimmern; schleifen; schlichten; schmirgeln
gelijkmaken ausbügeln; ausgleichen; ausstreichen; bügeln; ebnen; egalisieren; florieren; flächen; funkeln; glatthobeln; glimmen; glitzern; glätten; nivellieren; polieren; schaben; schimmern; schleifen; schlichten; schmirgeln
gladmaken ausbügeln; ausstreichen; bügeln; ebnen; egalisieren; florieren; flächen; funkeln; glatthobeln; glimmen; glitzern; glätten; polieren; schaben; schimmern; schleifen; schlichten; schmirgeln abscheuern; aufpolieren; ausrüsten; feilen; glattstreichen; glätten; herausputzen; polieren; schaben; scheuern; schleifen; schlichten; schmirgeln
nivelleren ausgleichen; ebnen; egalisieren; nivellieren
platmaken abplatten; ebnen; egalisieren platt drücken; zerquetschen
rechtmaken ebnen
vereffenen ausstreichen; ebnen; egalisieren; glätten abrechnen; abtragen; abzahlen; aufheben; auflösen; ausgleichen; begleichen; freikaufen; liquidieren; schließen; tilgen; verrechnen; zahlen
vlak maken ausgleichen; ebnen; egalisieren; nivellieren

Synoniemen voor "ebnen":


Wiktionary: ebnen

ebnen
verb
  1. gelijk of vlak maken

Cross Translation:
FromToVia
ebnen egaliseren level — to destroy by reducing to ground level; to raze