Overzicht
Duits naar Zweeds:   Meer gegevens...
  1. Frau:
  2. Wiktionary:


Duits

Uitgebreide vertaling voor Frau (Duits) in het Zweeds

Frau:

Frau [die ~] zelfstandig naamwoord

  1. die Frau (Gattin; Weib; Gemahlin; )
    make eller maka; fru; livspartner; man
  2. die Frau (gnädigeFrau; Dame; Lehrerin)
    Fru
    • Fru zelfstandig naamwoord
  3. die Frau (Dame)
    dam
    • dam [-en] zelfstandig naamwoord
  4. die Frau (Gatte; Gattin; Ehehälfte; )
    livskamrat; äkta hälft; fru; maka; make; man
    • livskamrat zelfstandig naamwoord
    • äkta hälft zelfstandig naamwoord
    • fru [-en] zelfstandig naamwoord
    • maka [-en] zelfstandig naamwoord
    • make [-en] zelfstandig naamwoord
    • man [-ett] zelfstandig naamwoord
  5. die Frau (Fräulein; Weib)
    kvinna
    • kvinna [-en] zelfstandig naamwoord
  6. die Frau (Gemahlin; Weib; Gattin)
    äktapar; man; fru
    • äktapar zelfstandig naamwoord
    • man [-ett] zelfstandig naamwoord
    • fru [-en] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor Frau:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Fru Dame; Frau; Lehrerin; gnädigeFrau
dam Dame; Frau
fru Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib Frauenzimmer; Gebieterin; Herrin; Meisterin; Weib; Weibsbild
kvinna Frau; Fräulein; Weib Frauenzimmer; Weib; Weibsbild
livskamrat Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib Ehepartner; Lebensgefährte; Lebensgefährtin; Partner
livspartner Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib
maka Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib Ehehälfte
make Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib Ehegatte; Ehehälfte; Freund; Gatte; Gefährte; Gemahl; Kerl; Kumpel; Lebenspartner; Mann; Partner; Teilhaber; Weib; männliche Person
make eller maka Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib
man Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib Bruder; Bursche; Freund; Gatte; Gefährte; Gemahl; Geselle; Kerl; Kerlchen; Kumpel; Mann; Mähne; Partner; Teilhaber; Weib; männliche Person
äkta hälft Ehehälfte; Frau; Gatte; Gattin; Gemahl; Gemahlin; Mann; Weib
äktapar Frau; Gattin; Gemahlin; Weib

Synoniemen voor "Frau":


Wiktionary: Frau

Frau
noun
  1. verheiraten Frau, Ehefrau
  2. nur Nominativ Singular: Höflichkeitsanrede für eine Frau, Namenszusatz
  3. erwachsener, weiblicher Mensch

Cross Translation:
FromToVia
Frau fru Mrs — title before woman's name
Frau kvinna feminine — a woman
Frau tjej girl — woman
Frau min fru madam — polite term of address to a woman
Frau hustru; maka; fru wife — married woman
Frau kvinna woman — adult female human being
Frau hustru; fru vrouw — de vrouwelijke partner in een huwelijk
Frau kvinna vrouw — een volwassen vrouwelijke mens
Frau kvinna femme — Être humain adulte de sexe féminin

Verwante vertalingen van Frau