Engels

Uitgebreide synoniemen voor madness in het Engels

madness:

madness [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the madness
    the joyfulness; the high jinks; the lunacy; the joy; the merriment; the pleasure; the hilarity; the silliness; the fun; the folly; the madness; the mirth; the nonsense; the joking
    • joyfulness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • high jinks [the ~] zelfstandig naamwoord
    • lunacy [the ~] zelfstandig naamwoord
    • joy [the ~] zelfstandig naamwoord
    • merriment [the ~] zelfstandig naamwoord
    • pleasure [the ~] zelfstandig naamwoord
    • hilarity [the ~] zelfstandig naamwoord
    • silliness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • fun [the ~] zelfstandig naamwoord
    • folly [the ~] zelfstandig naamwoord
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • mirth [the ~] zelfstandig naamwoord
    • nonsense [the ~] zelfstandig naamwoord
    • joking [the ~] zelfstandig naamwoord
  2. the madness
    the madness; the foolishness
  3. the madness
    the insanity; the madness; the craziness; the lunacy; the derangement; the idiocy; the inanity; the mental illness; the mental derangement
  4. the madness
    the foolishness; the madness; the stupidity
  5. the madness
    – unrestrained excitement or enthusiasm 1
    the madness; the rabidness; the rabidity
    – unrestrained excitement or enthusiasm 1
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
      • poetry is a sort of divine madness1
    • rabidness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • rabidity [the ~] zelfstandig naamwoord
  6. the madness
    – the quality of being rash and foolish 1
    the madness; the folly; the craziness; the foolishness
    – the quality of being rash and foolish 1
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • folly [the ~] zelfstandig naamwoord
      • trying to drive through a blizzard is the height of folly1
    • craziness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • foolishness [the ~] zelfstandig naamwoord
      • adjusting to an insane society is total foolishness1
  7. the madness
    – a feeling of intense anger 1
    the rage; the fury; the madness
    – a feeling of intense anger 1
    • rage [the ~] zelfstandig naamwoord
      • his face turned red with rage1
    • fury [the ~] zelfstandig naamwoord
      • hell hath no fury like a woman scorned1
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
  8. the madness
    – an acute viral disease of the nervous system of warm-blooded animals (usually transmitted by the bite of a rabid animal); rabies is fatal if the virus reaches the brain 1
    the madness; the rabies; the hydrophobia; the lyssa
    – an acute viral disease of the nervous system of warm-blooded animals (usually transmitted by the bite of a rabid animal); rabies is fatal if the virus reaches the brain 1
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • rabies [the ~] zelfstandig naamwoord
    • hydrophobia [the ~] zelfstandig naamwoord
    • lyssa [the ~] zelfstandig naamwoord
  9. the madness
    – obsolete terms for legal insanity 1
    the madness; the lunacy; the insaneness
    – obsolete terms for legal insanity 1
    • madness [the ~] zelfstandig naamwoord
    • lunacy [the ~] zelfstandig naamwoord
    • insaneness [the ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "madness":


Alternatieve synoniemen voor "madness":


Verwante definities voor "madness":

  1. unrestrained excitement or enthusiasm1
    • poetry is a sort of divine madness1
  2. the quality of being rash and foolish1
  3. a feeling of intense anger1
  4. an acute viral disease of the nervous system of warm-blooded animals (usually transmitted by the bite of a rabid animal); rabies is fatal if the virus reaches the brain1
  5. obsolete terms for legal insanity1

madness vorm van mad:

mad bijvoeglijk naamwoord

  1. mad
    furious; mad; upset; annoyed; enraged; raging; fierce; infuriated; irate
  2. mad
    insane; mentally ill; lunatic; mad
  3. mad
    crazy; insane; ridiculous; daft; stupid; foolish; silly; mad; odd; idiotic; funny
    • crazy bijvoeglijk naamwoord
    • insane bijvoeglijk naamwoord
    • ridiculous bijvoeglijk naamwoord
    • daft bijvoeglijk naamwoord
    • stupid bijvoeglijk naamwoord
    • foolish bijvoeglijk naamwoord
    • silly bijvoeglijk naamwoord
    • mad bijvoeglijk naamwoord
    • odd bijvoeglijk naamwoord
    • idiotic bijvoeglijk naamwoord
    • funny bijvoeglijk naamwoord
  4. mad
    sedulous; diligent; furious; assiduous; mad; industrious
  5. mad
    weird; ridiculous; muzzy; foolish; odd; silly; insane; mixed up; daft; crazy; funny; idiotic; stupid; mad
    • weird bijvoeglijk naamwoord
    • ridiculous bijvoeglijk naamwoord
    • muzzy bijvoeglijk naamwoord
    • foolish bijvoeglijk naamwoord
    • odd bijvoeglijk naamwoord
    • silly bijvoeglijk naamwoord
    • insane bijvoeglijk naamwoord
    • mixed up bijvoeglijk naamwoord
    • daft bijvoeglijk naamwoord
    • crazy bijvoeglijk naamwoord
    • funny bijvoeglijk naamwoord
    • idiotic bijvoeglijk naamwoord
    • stupid bijvoeglijk naamwoord
    • mad bijvoeglijk naamwoord
  6. mad
    – roused to anger 1
    sore; mad; huffy
    – roused to anger 1
    • sore bijvoeglijk naamwoord
      • sore over a remark1
    • mad bijvoeglijk naamwoord
      • she gets mad when you wake her up so early1
      • mad at his friend1
    • huffy bijvoeglijk naamwoord
      • stayed huffy a good while1
  7. mad
    – affected with madness or insanity 1
    mad; sick; crazy; demented; unbalanced; disturbed; unhinged; brainsick
    – affected with madness or insanity 1
  8. mad
    – marked by uncontrolled excitement or emotion 1
    excited; mad; frantic; delirious; unrestrained
    – marked by uncontrolled excitement or emotion 1
    • excited bijvoeglijk naamwoord
    • mad bijvoeglijk naamwoord
      • a mad whirl of pleasure1
    • frantic bijvoeglijk naamwoord
      • something frantic in their gaiety1
    • delirious bijvoeglijk naamwoord
      • a crowd of delirious baseball fans1
    • unrestrained bijvoeglijk naamwoord
  9. mad
    – very foolish 1
    mad; insane; harebrained
    – very foolish 1
    • mad bijvoeglijk naamwoord
      • a completely mad scheme to build a bridge between two mountains1
    • insane bijvoeglijk naamwoord
      • took insane risks behind the wheel1
    • harebrained bijvoeglijk naamwoord
      • harebrained ideas1

mad [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the mad
    the mentally disabled; the lunatic; the loony; the buffoon; the rattle-brain; the idiot; the nutcase; the ass; the madman; the fool; the mad; the daft; the clown
    • mentally disabled [the ~] zelfstandig naamwoord
    • lunatic [the ~] zelfstandig naamwoord
    • loony [the ~] zelfstandig naamwoord
    • buffoon [the ~] zelfstandig naamwoord
    • rattle-brain [the ~] zelfstandig naamwoord
    • idiot [the ~] zelfstandig naamwoord
    • nutcase [the ~] zelfstandig naamwoord
    • ass [the ~] zelfstandig naamwoord
    • madman [the ~] zelfstandig naamwoord
    • fool [the ~] zelfstandig naamwoord
    • mad [the ~] zelfstandig naamwoord
    • daft [the ~] zelfstandig naamwoord
    • clown [the ~] zelfstandig naamwoord

Verwante woorden van "mad":


Alternatieve synoniemen voor "mad":


Verwante definities voor "mad":

  1. roused to anger1
    • she gets mad when you wake her up so early1
    • mad at his friend1
  2. affected with madness or insanity1
    • a man who had gone mad1
  3. marked by uncontrolled excitement or emotion1
    • a mad whirl of pleasure1
  4. very foolish1
    • a completely mad scheme to build a bridge between two mountains1

Verwante synoniemen voor madness