Engels

Uitgebreide vertaling voor gain (Engels) in het Nederlands

gain:

to gain werkwoord (gains, gained, gaining)

  1. to gain (win)
    verkrijgen; behalen; winnen
    • verkrijgen werkwoord (verkrijg, verkrijgt, verkreeg, verkregen, verkregen)
    • behalen werkwoord (behaal, behaalt, behaalde, behaalden, behaald)
    • winnen werkwoord (win, wint, won, wonnen, gewonnen)
  2. to gain (learn; receive; absorb; collect)
    leren; kennis opdoen; opsteken; meekrijgen; oppikken; meepikken
    • leren werkwoord (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
    • kennis opdoen werkwoord
    • opsteken werkwoord (steek op, steekt op, stak op, staken op, opgestoken)
    • meekrijgen werkwoord (krijg mee, krijgt mee, kreeg mee, kregen mee, meegekregen)
    • oppikken werkwoord (pik op, pikt op, pikte op, pikten op, opgepikt)
    • meepikken werkwoord (pik mee, pikt mee, pikte mee, pikten mee, meegepikt)
  3. to gain (obtain; acquire; procure; come by)
    verkrijgen; verwerven
    • verkrijgen werkwoord (verkrijg, verkrijgt, verkreeg, verkregen, verkregen)
    • verwerven werkwoord (verwerf, verwerft, verwierf, verwierven, verworven)
  4. to gain (catch up with; catch up; run in)
    inhalen; inlopen
    • inhalen werkwoord (haal in, haalt in, haalde in, haalden in, ingehaald)
    • inlopen werkwoord (loop in, loopt in, liep in, liepen in, ingelopen)
  5. to gain
    gewinnen
  6. to gain (gain weight; become heavier)
    aankomen
    – dikker worden 1
    • aankomen werkwoord (kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
      • ik ben 1 kilo aangekomen1

Conjugations for gain:

present
  1. gain
  2. gain
  3. gains
  4. gain
  5. gain
  6. gain
simple past
  1. gained
  2. gained
  3. gained
  4. gained
  5. gained
  6. gained
present perfect
  1. have gained
  2. have gained
  3. has gained
  4. have gained
  5. have gained
  6. have gained
past continuous
  1. was gaining
  2. were gaining
  3. was gaining
  4. were gaining
  5. were gaining
  6. were gaining
future
  1. shall gain
  2. will gain
  3. will gain
  4. shall gain
  5. will gain
  6. will gain
continuous present
  1. am gaining
  2. are gaining
  3. is gaining
  4. are gaining
  5. are gaining
  6. are gaining
subjunctive
  1. be gained
  2. be gained
  3. be gained
  4. be gained
  5. be gained
  6. be gained
diverse
  1. gain!
  2. let's gain!
  3. gained
  4. gaining
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

gain [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the gain (yield; profit; benefit; return; output)
    de opbrengst; het rendement; de uitkomst; het product; het voortbrengsel; de oogst
  2. the gain (profit; benefit; advantage; )
    het profijt; de baat; de winst; het gewin
    • profijt [het ~] zelfstandig naamwoord
    • baat [de ~] zelfstandig naamwoord
    • winst [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • gewin [het ~] zelfstandig naamwoord
  3. the gain (purchase; acquisition; shoppings; profit)
    de acquisitie; de aankoop; de aanschaf; de boodschap; de aanwinst; aangekochte; de koop
    • acquisitie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aankoop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • aanschaf [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • boodschap [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aanwinst [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • aangekochte [znw.] zelfstandig naamwoord
    • koop [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor gain:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangekochte acquisition; gain; profit; purchase; shoppings
aankomen arrival; arriving; coming
aankoop acquisition; gain; profit; purchase; shoppings acquiring; acquisition; buy; buying; obtaining; procurance; purchase; purchasing
aanschaf acquisition; gain; profit; purchase; shoppings acquiring; acquisition; buy; buying; obtaining; procurance; purchase; purchasing
aanwinst acquisition; gain; profit; purchase; shoppings expansion; growth; increase; rise
acquisitie acquisition; gain; profit; purchase; shoppings acquiring; acquisition; buy; buying; obtaining; procurance; purchase; purchasing
baat advantage; benefit; earnings; economy; gain; output; profit; return; take; victory; winning; yield
behalen obtaining
boodschap acquisition; gain; profit; purchase; shoppings announcement; message; piece of news; report; statement
gewin advantage; benefit; earnings; economy; gain; output; profit; return; take; victory; winning; yield
inhalen taking in
inlopen getting heated
koop acquisition; gain; profit; purchase; shoppings acquiring; acquisition; buy; buying; obtaining; procurance; purchase; purchasing
leren learning; studying
meekrijgen winning over
oogst benefit; gain; output; profit; return; yield crop; cultivated plants; grape harvest; harvest; harvesting; output; reaping; vintage; yield
opbrengst benefit; gain; output; profit; return; yield revenue
opsteken holding up; putting up
product benefit; gain; output; profit; return; yield creation; good; manufacture; product
profijt advantage; benefit; earnings; economy; gain; output; profit; return; take; victory; winning; yield
rendement benefit; gain; output; profit; return; yield effectiveness; effectivity
uitkomst benefit; gain; output; profit; return; yield answer; resolution; result; solution
voortbrengsel benefit; gain; output; profit; return; yield
winst advantage; benefit; earnings; economy; gain; output; profit; return; take; victory; winning; yield profit
- addition; amplification; increase; profit
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aankomen become heavier; gain; gain weight arrive; call at; call on; come past; drop by; drop in; end; finish; look for; look up; pass; seek out; visit
behalen gain; win
dikker worden become heavier; gain; gain weight become thicker; concentrate; condense; thicken
gewinnen gain
inhalen catch up; catch up with; gain; run in draw in; haul in; make good; make up; move past; overtake; pass; rectify; ride past; sail past; take in
inlopen catch up; catch up with; gain; run in be fooled; drop by; drop in; fall for; swallow; visit
kennis opdoen absorb; collect; gain; learn; receive
leren absorb; collect; gain; learn; receive acquire; aquire; educate; familiarise; familiarize; get the hang of; get used to; learn; master; pick up; practice; practise; qualify; study; studying; teach; train
meekrijgen absorb; collect; gain; learn; receive
meepikken absorb; collect; gain; learn; receive get a piece of the pie; get one's share
oppikken absorb; collect; gain; learn; receive acquire; collect; fetch; gather; get the hang of; glean; learn; pick up; study
opsteken absorb; collect; gain; learn; receive acquire; get the hang of; learn; light a cigaret; pick up; study
verkrijgen acquire; come by; gain; obtain; procure; win acquire; buy; get hold of; get hold of something; get one's hands on; lay one's hands on; obtain; purchase; receive for one's portion; secure; seize; seize upon; take possession of
verwerven acquire; come by; gain; obtain; procure acquire; buy; get hold of something; get the hang of; lay one's hands on; learn; obtain; pick up; purchase; secure; seize; study; take possession of
winnen gain; win conquer; gain the day; gain the victory; master; overcome; win; win over
zwaarder worden become heavier; gain; gain weight
- acquire; advance; arrive at; attain; benefit; bring in; clear; derive; earn; gain ground; gather; get ahead; hit; make; make headway; profit; pull ahead; pull in; put on; reach; realise; realize; take in; win
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- obtain; profit; secure; yield

Verwante woorden van "gain":


Synoniemen voor "gain":


Antoniemen van "gain":


Verwante definities voor "gain":

  1. the amount of increase in signal power or voltage or current expressed as the ratio of output to input2
  2. the advantageous quality of being beneficial2
  3. the amount by which the revenue of a business exceeds its cost of operating2
  4. a quantity that is added2
    • they recorded the cattle's gain in weight over a period of weeks2
  5. increase (one's body weight)2
    • She gained 20 pounds when she stopped exercising2
  6. increase or develop2
    • the peace movement gained momentum2
  7. rise in rate or price2
    • The stock market gained 24 points today2
  8. obtain advantages, such as points, etc.2
    • The home team was gaining ground2
  9. reach a destination, either real or abstract2
  10. win something through one's efforts2
  11. earn on some commercial or business transaction; earn as salary or wages2
  12. derive a benefit from2
  13. obtain2

Wiktionary: gain

gain
verb
  1. put on weight
  2. acquire
noun
  1. what one gains (profit)
gain
verb
  1. een diploma of certificaat verwerven
noun
  1. het -met name financiële- voordeel dat men heeft bij een bepaalde zaak
  2. 4. signaalversterking

Cross Translation:
FromToVia
gain baat Gewinnallgemein: ein Ereignis, bei welchem ein Nutzen oder Vorteil erzielt wird
gain winnen gewinnen — (intransitiv) durch eigenen Aufwand, Einsatz, eigene Bemühung (und günstige Umstand) etwas erstrebenswert beziehungsweise wünschenswert erlangen
gain aanschaf; aankoop; afname; inkoop; koop; overname; aanwinst; acquisitie; buit; verkrijging; verwerving; prooi; acquest acquisitionaction d’acquérir.
gain afnemen; kopen; aankopen; inkopen; aanschaffen; overnemen; buitmaken; behalen; verkrijgen; verwerven acquérir — Devenir possesseur par le travail, par l’achat, par l’échange, par contrat ou alors par... (Sens général).
gain baat; belang; gewin; profijt; voordeel; winst; pré avantage — Utilité, profit, faveur, bénéfice.
gain aanwinst; buit; acquest; prooi butin — Ce que l’on prendre sur les ennemis.
gain baat; gewin; verdienste; winst bénéfice — commerce|fr gain, profit.
gain buitmaken; behalen; verkrijgen; verwerven; aanbrengen; werven; aanwerven; verdienen; winnen gagner — Traductions à trier suivant le sens
gain buitmaken; behalen; verkrijgen; verwerven; deelachtig worden; krijgen obtenir — Se faire accorder par tel ou tel moyen une chose que l’on désirer.
gain profiteren; voordeel trekken uit; winst maken profitertirer un émolument, faire un gain.

Verwante vertalingen van gain



Nederlands

Uitgebreide vertaling voor gain (Nederlands) in het Engels

ingaan:

ingaan werkwoord (ga in, gaat in, ging in, gingen in, ingegaan)

  1. ingaan (binnentreden; betreden; binnenkomen; )
    to enter; to come in; to go into; to get in; to go in; to go inside
    • enter werkwoord (enters, entered, entering)
    • come in werkwoord (comes in, came in, coming in)
    • go into werkwoord (goes into, went into, going into)
    • get in werkwoord (gets in, got in, getting in)
    • go in werkwoord (goes in, went in, going in)
    • go inside werkwoord (goes inside, went inside, going inside)
  2. ingaan (reageren)
    react to

Conjugations for ingaan:

o.t.t.
  1. ga in
  2. gaat in
  3. gaat in
  4. gaan in
  5. gaan in
  6. gaan in
o.v.t.
  1. ging in
  2. ging in
  3. ging in
  4. gingen in
  5. gingen in
  6. gingen in
v.t.t.
  1. ben ingegaan
  2. bent ingegaan
  3. is ingegaan
  4. zijn ingegaan
  5. zijn ingegaan
  6. zijn ingegaan
v.v.t.
  1. was ingegaan
  2. was ingegaan
  3. was ingegaan
  4. waren ingegaan
  5. waren ingegaan
  6. waren ingegaan
o.t.t.t.
  1. zal ingaan
  2. zult ingaan
  3. zal ingaan
  4. zullen ingaan
  5. zullen ingaan
  6. zullen ingaan
o.v.t.t.
  1. zou ingaan
  2. zou ingaan
  3. zou ingaan
  4. zouden ingaan
  5. zouden ingaan
  6. zouden ingaan
diversen
  1. ga in!
  2. gaat in!
  3. ingegaan
  4. ingaande
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

ingaan [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. ingaan (van kracht worden; effectief worden)
    the taking effect; the coming into force

Vertaal Matrix voor ingaan:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
coming into force effectief worden; ingaan; van kracht worden inwerkingtreding
taking effect effectief worden; ingaan; van kracht worden inwerkingtreding
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
come in betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan invallen; naar binnen vallen
enter betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan aangaan; aanknopen; aanmelden; aantreden; betreden; binnen gaan; binnenmarcheren; binnentrekken; inklaren; inschrijven; insturen; intekenen; invallen; invoeren; inzenden; klaren; naar binnen vallen; opgeven; penetreren; subscriberen; toetreden
get in betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan aan boord gaan; aan boord klimmen; instappen; verschepen
go in betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan binnenmarcheren; binnentrekken
go inside betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan
go into betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan
react to ingaan; reageren erop ingaan; ingaan op; reageren op

Verwante definities voor "ingaan":

  1. beginnen1
    • wanneer gaat de zomertijd in?1
  2. erop reageren1
    • de minister ging niet op zijn vragen in1

Wiktionary: ingaan


Cross Translation:
FromToVia
ingaan begin; commence; start débutercommencer.
ingaan enter; come into; penetrate; pierce; go in entreraller de dehors vers dedans.