Engels

Uitgebreide vertaling voor used (Engels) in het Nederlands

used:

used bijvoeglijk naamwoord

  1. used (second-hand; hand-me-down)
    gebruikt; tweedehands
  2. used (digested)
    verbruikt; verteerd
  3. used (exploited)
    geëxploiteerd; uitgebuit
  4. used (exploited)
    geëxploiteerd; ontgind

Vertaal Matrix voor used:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
tweedehands hand-me-down; second-hand; used
verbruikt digested; used consumed
- exploited; ill-used; put-upon; secondhand; victimised; victimized
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- consumed
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gebruikt hand-me-down; second-hand; used
geëxploiteerd exploited; used
ontgind exploited; used
uitgebuit exploited; used
verteerd digested; used

Verwante woorden van "used":


Synoniemen voor "used":

  • in use; utilized; utilised
  • exploited; ill-used; put-upon; victimized; victimised; misused
  • secondhand; old

Antoniemen van "used":

  • misused

Verwante definities voor "used":

  1. previously used or owned by another1
    • bought a secondhand (or used) car1
  2. employed in accomplishing something1
    • the principle of surprise is the most used and misused of all the principles of war1
  3. of persons; taken advantage of1
    • after going out of his way to help his friend get the job he felt not appreciated but used1

Wiktionary: used


Cross Translation:
FromToVia
used occasion occasionrencontre, conjoncture ou concours fortuit et éphémère de circonstances qui favoriser temporairement une entreprise, un dessein, etc.

used vorm van use:

to use werkwoord (uses, used, using)

  1. to use (utilize; apply; implement; )
    gebruiken; toepassen; aanwenden; benutten; aangrijpen
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen werkwoord (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden werkwoord (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten werkwoord (benut, benutte, benutten, benut)
    • aangrijpen werkwoord (grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
  2. to use (utilize; make use of; employ; )
    gebruiken; hanteren; gebruik maken van; bezigen
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • hanteren werkwoord (hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
    • gebruik maken van werkwoord (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • bezigen werkwoord (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  3. to use (apply)
    gebruiken; toepassen; aanwenden; bezigen
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen werkwoord (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden werkwoord (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • bezigen werkwoord (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  4. to use (make use of; apply; utilize; employ; utilise)
    gebruiken; toepassen; gebruik maken van; benutten; aanwenden
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen werkwoord (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • gebruik maken van werkwoord (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • benutten werkwoord (benut, benutte, benutten, benut)
    • aanwenden werkwoord (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
  5. to use (utilize; apply; make use of; )
    gebruiken; aanwenden; benutten; gebruik maken van; utiliseren
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • aanwenden werkwoord (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten werkwoord (benut, benutte, benutten, benut)
    • gebruik maken van werkwoord (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • utiliseren werkwoord (utiliseer, utiliseert, utiliseerde, utiliseerden, geutiliseerd)
  6. to use (consume; utilize; utilise)
    consumeren; verbruiken; gebruiken
    • consumeren werkwoord (consumeer, consumeert, consumeerde, consumeerden, geconsumeerd)
    • verbruiken werkwoord (verbruik, verbruikt, verbruikte, verbruikten, verbruikt)
    • gebruiken werkwoord (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
  7. to use (consume; spend; use up)
    verbruiken; opmaken; doorjagen
    • verbruiken werkwoord (verbruik, verbruikt, verbruikte, verbruikten, verbruikt)
    • opmaken werkwoord (maak op, maakt op, maakte op, maakten op, opgemaakt)
    • doorjagen werkwoord
  8. to use (make use)

Conjugations for use:

present
  1. use
  2. use
  3. uses
  4. use
  5. use
  6. use
simple past
  1. used
  2. used
  3. used
  4. used
  5. used
  6. used
present perfect
  1. have used
  2. have used
  3. has used
  4. have used
  5. have used
  6. have used
past continuous
  1. was using
  2. were using
  3. was using
  4. were using
  5. were using
  6. were using
future
  1. shall use
  2. will use
  3. will use
  4. shall use
  5. will use
  6. will use
continuous present
  1. am using
  2. are using
  3. is using
  4. are using
  5. are using
  6. are using
subjunctive
  1. be used
  2. be used
  3. be used
  4. be used
  5. be used
  6. be used
diverse
  1. use!
  2. let's use!
  3. used
  4. using
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

use [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the use (application; usage; inset; stakes; ante)
    de toepassing; het gebruik; de aanwending; de inzet
    • toepassing [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • gebruik [het ~] zelfstandig naamwoord
    • aanwending [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • inzet [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the use (consumption; expenditure)
    de consumptie; het verbruik
  3. the use (application; exertion)
    het gebruik; de aanwending; de behandeling; de hantering
  4. the use (application; utilization; implementation; )
    de toepassing; het gebruik; de aanwending; aanwenden
  5. the use (purpose; intention; drift; meaning)
    het doel; het nut; de zin
    • doel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • nut [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zin [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  6. the use (usefulness; value; benefit; profit)
    de waarde; het nut
    • waarde [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • nut [het ~] zelfstandig naamwoord
  7. the use (usefulness; utility)
    de nuttigheid; het nut
    • nuttigheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • nut [het ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor use:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangrijpen laying hands on; taking hold of
aanwenden administration; adoption; application; implementation; infliction; practice; practise; use; utilisation; utilization
aanwending administration; adoption; ante; application; exertion; implementation; infliction; inset; practice; practise; stakes; usage; use; utilisation; utilization
behandeling application; exertion; use handling; therapy; treatment
consumptie consumption; expenditure; use
doel drift; intention; meaning; purpose; use aim; aiming at; aiming for; dedication; destination; devotion; effort; exertion; final destination; goal; intention; object; objective; scheme; strive for; target; target value; terminus; ultimate goal
gebruik administration; adoption; ante; application; exertion; implementation; infliction; inset; practice; practise; stakes; usage; use; utilisation; utilization custom; habit; usage
gebruiken customs; habits; normal practice; standard practice; traditions
hantering application; exertion; use
inzet ante; application; inset; stakes; usage; use ambition; assiduousness; beginning; cash for playing; commencement; dedication; devotion; diligence; effort; exertion; goal; intention; objective; opening; outset; passion; pool; scheme; stakes; start; target; wee-wee
nut benefit; drift; intention; meaning; profit; purpose; use; usefulness; utility; value
nuttigheid use; usefulness; utility
opmaken draft; draw up; edit; formulate
toepassing administration; adoption; ante; application; implementation; infliction; inset; practice; practise; stakes; usage; use; utilisation; utilization Commerce Server application; Commerce application; app; application; program
verbruik consumption; expenditure; use consumption
waarde benefit; profit; use; usefulness; value merit; significance; value; worth
zin drift; intention; meaning; purpose; use appetite; expression; fascination; feel like a bite; fervor; fervour; horniness; hunger; interest; lewdness; meaning; merit; phrase; randiness; saying; significance; statement; term; the hots; turn of phrase; value; worth
- consumption; economic consumption; employment; enjoyment; exercise; function; habit; manipulation; purpose; role; usage; usance; use of goods and services; utilisation; utilization
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangrijpen administer; adopt; apply; avail oneself of; employ; enforce; engage; implement; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize cause emotions; move; touch
aanwenden administer; adopt; apply; avail oneself of; employ; enforce; engage; implement; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize
benutten administer; adopt; apply; avail oneself of; employ; enforce; engage; implement; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize
bezigen apply; employ; handle; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize
consumeren consume; use; utilise; utilize consume; dine; dispatch; eat; grab a bite; have a meal; have dinner; have something to eat; munch; nibble; nybble
doorjagen consume; spend; use; use up
gebruik maken van apply; employ; handle; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize
gebruiken administer; adopt; apply; avail oneself of; consume; employ; enforce; engage; handle; implement; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize be on drugs; burn up; consume; deploy; dine; eat; grab a bite; have a meal; have dinner; have something to eat; munch; nibble; nybble; take drugs; use drugs
gebruikmaken make use; use
hanteren employ; handle; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize
opmaken consume; spend; use; use up adorn; burn up; consume; decorate; dress; dunnage; finish; garnish; get started; make a start; make up; make-up; ornament; put on make-up; spend; squander; trim; use up
toepassen administer; adopt; apply; avail oneself of; employ; enforce; engage; implement; make use of; practice; practise; take; use; utilise; utilize apply
utiliseren apply; employ; make use of; take; use; utilise; utilize
verbruiken consume; spend; use; use up; utilise; utilize
- apply; employ; expend; habituate; practice; practise; utilise; utilize
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
verbruiken consume
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- employ; employment; frequent; make use of; travel by; utilise; utilize

Verwante woorden van "use":


Synoniemen voor "use":


Verwante definities voor "use":

  1. exerting shrewd or devious influence especially for one's own advantage1
  2. (psychology) an automatic pattern of behavior in reaction to a specific situation; may be inherited or acquired through frequent repetition1
    • long use had hardened him to it1
  3. the act of using1
    • he warned against the use of narcotic drugs1
  4. what something is used for1
    • ballet is beautiful but what use is it?1
  5. a particular service1
    • he put his knowledge to good use1
    • patrons have their uses1
  6. (law) the exercise of the legal right to enjoy the benefits of owning property1
    • we were given the use of his boat1
  7. (economics) the utilization of economic goods to satisfy needs or in manufacturing1
  8. use up, consume fully1
  9. put into service; make work or employ for a particular purpose or for its inherent or natural purpose1
    • use your head!1
    • we only use Spanish at home1
    • I can't use this tool1
    • use the plastic bags to store the food1
    • He doesn't know how to use a computer1
  10. take or consume (regularly or habitually)1
    • She uses drugs rarely1
  11. habitually do something (use only in the past tense)1
    • She used to call her mother every week but now she calls only occasionally1
    • I used to get sick when I ate in that dining hall1
    • They used to vacation in the Bahamas1
  12. avail oneself to1
    • use care when going down the stairs1
    • use your common sense1
  13. seek or achieve an end by using to one's advantage1
    • She uses her influential friends to get jobs1
    • The president's wife used her good connections1

Wiktionary: use

use
noun
  1. act of using
  2. usefulness
  3. function
verb
  1. employ, apply
use
verb
  1. gebruik maken van iets
  2. zich bedienen van, toepassen
  3. gebruiken
noun
  1. toepassen van iets
  2. gebruik
  3. baat, voordeel

Cross Translation:
FromToVia
use gebruik Gebrauch — Verwendung, Anwendung, Einsatz
use doel Zweckkein Plural: Sinn oder Beweggrund den eine Handlung, ein Vorgang oder eine andere Maßnahme haben soll
use gebruiken gebrauchen — etwas verwenden, benutzen
use benutten; nutten nützen — von etwas Gebrauch machen
use aanwenden; benutten; gebruiken; aandoen; aantrekken; opleggen; opbrengen; aanbrengen; leggen; steken; plaatsen; stellen; stoppen; zetten; doen; doorvoeren; in toepassing brengen; toepassen; aanzetten; voordoen appliquermettre une chose sur une autre, soit pour qu’elle y demeure adhérente, être pour qu’elle y laisser une empreinte, soit simplement pour qu’elle y toucher.
use ambt; baan; betrekking; werkkring; plaats; post; wachtpost; werkgelegenheid emploiusage qu’on fait de quelque chose.
use aanwenden; benutten; gebruiken employer — Utiliser
use gebruik; genot; beroep; regres; appel recoursaction par laquelle on rechercher de l’assistance, du secours.
use gebruik; toepassing usagecoutume, pratique reçue.
use gebruik utilisationfait ou manière d’utiliser.
use gebruiken utilisertirer de l’utilité de, tirer parti de.

Verwante vertalingen van used