Uitgebreide vertaling voor accent (Engels) in het Nederlands


accent [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the accent (emphasis)
    de nadruk; het accent; de hoofdtoon; de klemtoon
    • nadruk [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • accent [het ~] zelfstandig naamwoord
    • hoofdtoon [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • klemtoon [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the accent (point of interest; prime; central point; )
    het aandachtspunt
  3. the accent (dialect)
    het accent; het dialect; het taaltje; de tongval
    • accent [het ~] zelfstandig naamwoord
    • dialect [het ~] zelfstandig naamwoord
    • taaltje [het ~] zelfstandig naamwoord
    • tongval [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  4. the accent (spoken language; dialect; slang; argot)
    de streektaal; het dialect; de tongval; het taaltje
    • streektaal [de ~] zelfstandig naamwoord
    • dialect [het ~] zelfstandig naamwoord
    • tongval [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • taaltje [het ~] zelfstandig naamwoord
  5. the accent
    de benadrukking

Vertaal Matrix voor accent:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aandachtspunt accent; center; central point; centre; hub; point of interest; prime
accent accent; dialect; emphasis
benadrukking accent
dialect accent; argot; dialect; slang; spoken language
hoofdtoon accent; emphasis
klemtoon accent; emphasis
nadruk accent; emphasis
streektaal accent; argot; dialect; slang; spoken language regional language
taaltje accent; argot; dialect; slang; spoken language
tongval accent; argot; dialect; slang; spoken language
- accent mark; dialect; emphasis; idiom; speech pattern; stress
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- accentuate; emphasise; emphasize; punctuate; stress

Verwante woorden van "accent":

Synoniemen voor "accent":

Verwante definities voor "accent":

  1. a diacritical mark used to indicate stress or placed above a vowel to indicate a special pronunciation1
  2. the relative prominence of a syllable or musical note (especially with regard to stress or pitch)1
  3. distinctive manner of oral expression1
    • he couldn't suppress his contemptuous accent1
  4. the usage or vocabulary that is characteristic of a specific group of people1
    • he has a strong German accent1
  5. special importance or significance1
    • the room was decorated in shades of grey with distinctive red accents1
  6. put stress on; utter with an accent1
    • In Farsi, you accent the last syllable of each word1
  7. to stress, single out as important1

Wiktionary: accent

  1. to mark with written accents
  2. to emphasize
  3. to express the accent of
  1. mark to denote feet or inches
  2. math: mark to distinguish magnitudes of similar kind
  3. -
  4. music: rhythmical accent
  5. music: expressive emphasis of a passage
  6. music: recurring stress on a tone
  7. music: special emphasis on a tone
  8. prosody: stress on syllables of a verse
  9. modulation of the voice
  10. orthography: mark to indicate accent
  11. stronger articulation
  1. de manier waarop iemand de klanken uitspreekt
  2. een teken dat op een klinker kan worden geplaatst

Cross Translation:
accent klem; nadruk; bombast emphaseaffectation pompeux dans le discours ou dans le débit.
accent accent; klemtoon; nadruk insistanceaction d’insister.
accent opmerken; opmerkzaam maken; signaleren; goed doen uitkomen; met nadruk zeggen; nadruk leggen op; accentueren; beklemtonen; de klemtoon leggen op soulignertirer une ligne sous un mot, ou sous plusieurs mots.

Verwante vertalingen van accent