Engels

Uitgebreide vertaling voor arranged (Engels) in het Nederlands

arranged:

arranged bijvoeglijk naamwoord

  1. arranged (organized; organised)
    georganiseerd; geregeld
  2. arranged (orderly)
    ordelijk; gerangschikt; opgeruimd

Vertaal Matrix voor arranged:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
georganiseerd arranged; organised; organized
geregeld arranged; organised; organized at set times; frequent; frequently; normal; often; regular; regularly; systematically
opgeruimd arranged; orderly amusing; animated; attentive; bright; buoyant; cheerful; clean; clear; colorful; colourful; dependable; eager; eagre; enchanted; enthusiastic; festive; funny; gay; happy; jolly; joyful; joyous; merry; mystified; neat; orderly; passionate; pleasant; reliable; safe; spell bound; sunny; tidy; trusted; trustworthy; under enchantment; vibrant
ordelijk arranged; orderly clean; neat; tidy
- ordered; staged
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- planned; settled
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gerangschikt arranged; orderly

Verwante woorden van "arranged":


Synoniemen voor "arranged":


Antoniemen van "arranged":

  • disarranged

Verwante definities voor "arranged":

  1. deliberately arranged for effect1
  2. planned in advance1
    • an arranged marriage1
  3. disposed or placed in a particular kind of order1
    • the carefully arranged chessmen1
    • haphazardly arranged interlobular septa1
    • comfortable chairs arranged around the fireplace1

arrange:

to arrange werkwoord (arranges, arranged, arranging)

  1. to arrange
    regelen; arrangeren; afspreken; bedisselen
    • regelen werkwoord (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • arrangeren werkwoord (arrangeer, arrangeert, arrangeerde, arrangeerden, gearrangeerd)
    • afspreken werkwoord (spreek af, spreekt af, sprak af, spraken af, afgesproken)
    • bedisselen werkwoord (bedissel, bedisselt, bedisselde, bedisselden, bedisseld)
  2. to arrange
    regelen; arrangeren; iets op touw zetten
    • regelen werkwoord (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • arrangeren werkwoord (arrangeer, arrangeert, arrangeerde, arrangeerden, gearrangeerd)
  3. to arrange (regulate; settle; order; fix)
    regelen; schikken
    • regelen werkwoord (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)
    • schikken werkwoord (schik, schikt, schikte, schikten, geschikt)
  4. to arrange (set up; install; instal)
    installeren; inrichten
    • installeren werkwoord (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
    • inrichten werkwoord (richt in, richtte in, richtten in, ingericht)
  5. to arrange (agree on)
    afspreken; iets overeenkomen
  6. to arrange (sort out; assort; shunt; )
    sorteren; rangeren; schiften; uitzoeken; ordenen
    • sorteren werkwoord (sorteer, sorteert, sorteerde, sorteerden, gesorteerd)
    • rangeren werkwoord (rangeer, rangeert, rangeerde, rangeerden, gerangeerd)
    • schiften werkwoord (schift, schiftte, schiftten, geschift)
    • uitzoeken werkwoord (zoek uit, zoekt uit, zocht uit, zochten uit, uitgezocht)
    • ordenen werkwoord (orden, ordent, ordende, ordenden, geordend)
  7. to arrange (put in order; order; range)
    rangschikken; rangordenen
    • rangschikken werkwoord (rangschik, rangschikt, rangschikte, rangschikten, gerangschikt)
    • rangordenen werkwoord (rangorden, rangordent, rangordende, rangordenden, gerangordend)
  8. to arrange (coordinate; organize; organise)
    coördineren
    • coördineren werkwoord (coördineer, coördineert, coördineerde, coördineerden, gecoördineerd)
  9. to arrange (orchestrate)
    arrangeren; orkestreren; instrumenteren
    • arrangeren werkwoord (arrangeer, arrangeert, arrangeerde, arrangeerden, gearrangeerd)
    • orkestreren werkwoord (orkestreer, orkestreert, orkestreerde, orkestreerden, georkestreerd)
    • instrumenteren werkwoord (instrumenteer, instrumenteert, instrumenteerde, instrumenteerden, geïnstrumenteerd)
  10. to arrange (home decorating; organize; organise)

Conjugations for arrange:

present
  1. arrange
  2. arrange
  3. arranges
  4. arrange
  5. arrange
  6. arrange
simple past
  1. arranged
  2. arranged
  3. arranged
  4. arranged
  5. arranged
  6. arranged
present perfect
  1. have arranged
  2. have arranged
  3. has arranged
  4. have arranged
  5. have arranged
  6. have arranged
past continuous
  1. was arranging
  2. were arranging
  3. was arranging
  4. were arranging
  5. were arranging
  6. were arranging
future
  1. shall arrange
  2. will arrange
  3. will arrange
  4. shall arrange
  5. will arrange
  6. will arrange
continuous present
  1. am arranging
  2. are arranging
  3. is arranging
  4. are arranging
  5. are arranging
  6. are arranging
subjunctive
  1. be arranged
  2. be arranged
  3. be arranged
  4. be arranged
  5. be arranged
  6. be arranged
diverse
  1. arrange!
  2. let's arrange!
  3. arranged
  4. arranging
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor arrange:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afspreken agreeing; arranging
inrichten furnishing; furniture; home furnishings; provisioning
ordenen arrangement; ordening
rangschikken classification; classifying
regelen organizing; tuning
schikken arrangement; ordening
uitzoeken selecting; sifting; sorting
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afspreken agree on; arrange agree; assemble; come to an agreement; forgather; get together; see each other; visit
arrangeren arrange; orchestrate classify; group
bedisselen arrange
coördineren arrange; coordinate; organise; organize
huis inrichten arrange; home decorating; organise; organize
iets op touw zetten arrange
iets overeenkomen agree on; arrange
inrichten arrange; instal; install; set up furnish; provision
installeren arrange; instal; install; set up appoint; assemble; construct; establish; fit; instal; install; institute; lay; place; set up
instrumenteren arrange; orchestrate instrument
ordenen arrange; assort; group; select; shunt; sift; sort out catalogue; classify; group; list all the points; order; organise; organize
orkestreren arrange; orchestrate
rangeren arrange; assort; group; select; shunt; sift; sort out
rangordenen arrange; order; put in order; range
rangschikken arrange; order; put in order; range class; classify; group; order; prioritize; rank
regelen arrange; fix; order; regulate; settle adjust; finish; fix; have ended; have finished; tune
schiften arrange; assort; group; select; shunt; sift; sort out choose; get acid; make sour; pick; pick out; prefer; select; single out; sort out; sour; turn sour
schikken arrange; fix; order; regulate; settle make up; patch up a quarrel; reconcile; settle; suit; suit one's convenience
sorteren arrange; assort; group; select; shunt; sift; sort out sort
uitzoeken arrange; assort; group; select; shunt; sift; sort out choose; disentangle; disentwine; pick; pick out; prefer; select; single out; sort out; unravel
- coif; coiffe; coiffure; do; dress; fix up; format; order; put; set; set up; stage
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
sorteren sorting
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- adapt; clear; have the use of; organise; organize; range

Verwante woorden van "arrange":


Synoniemen voor "arrange":


Antoniemen van "arrange":

  • disarrange

Verwante definities voor "arrange":

  1. arrange attractively1
  2. arrange thoughts, ideas, temporal events1
    • arrange my schedule1
  3. make arrangements for1
    • Can you arrange a meeting with the President?1
  4. put into a proper or systematic order1
    • arrange the books on the shelves in chronological order1
  5. plan, organize, and carry out (an event)1
  6. adapt for performance in a different way1
  7. set (printed matter) into a specific format1

Wiktionary: arrange

arrange
verb
  1. to put in order
  2. to set up, organise
arrange
verb
  1. (overgankelijk) in een bepaalde orde rangschikken, ordenen
  2. in staat zijn zelfstandig dagelijkse dingen te doen
  3. beslissen, regelen
  4. een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
  5. zorgen dat het gebeurt

Cross Translation:
FromToVia
arrange systematiseren systematisieren — (transitiv) ein System schaffen, anlegen; in ein System bringen
arrange overeenkomen; afspreken vereinbaren — eine Abmachung treffen
arrange aanrichten; arrangeren; ordenen; regelen arrangerarranger (transitive) (fr)
arrange stemmen; beschikken over; disponeren; aanrichten; arrangeren; ordenen; regelen disposerarranger, mettre dans l’ordre le plus convenable.
arrange stemmen; regelen; reglementeren; reguleren; vereffenen; inrichten; ruimen; opruimen; schikken; terechtbrengen; de weg wijzen; leiden; geleiden; rondleiden réglertirer avec la règle des lignes droites sur du papier, du parchemin, du carton, etc. cf|papier réglé.