Engels

Uitgebreide vertaling voor emptying (Engels) in het Nederlands

emptying:

emptying [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the emptying (drainage; draining; evacuation)
    de lediging
    • lediging [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. the emptying (drainage; draining)
    de drainage; de drooglegging; de ontwatering
  3. the emptying (draining)
    leegmaken; uitladen
  4. the emptying (pouring; pouring out)
    leeggieten; uitgieten

Vertaal Matrix voor emptying:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
drainage drainage; draining; emptying drainage
drooglegging drainage; draining; emptying ban on liquor; impoldering; prohibition; reclamation
lediging drainage; draining; emptying; evacuation
leeggieten emptying; pouring; pouring out
leegmaken draining; emptying
ontwatering drainage; draining; emptying
uitgieten emptying; pouring; pouring out
uitladen draining; emptying discharging
- evacuation; voidance
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
leeggieten empty; pour out
leegmaken clean out; clear; clear out; drain; drink; drink up; empty; finish; make empty; pour out; remove; remove what is inside; take out
uitgieten empty; pour out
uitladen unload

Verwante woorden van "emptying":


Synoniemen voor "emptying":


Verwante definities voor "emptying":

  1. the act of removing the contents of something1

empty:

empty bijvoeglijk naamwoord

  1. empty
    ledig; leeg; onbezet
    • ledig bijvoeglijk naamwoord
    • leeg bijvoeglijk naamwoord
    • onbezet bijvoeglijk naamwoord
  2. empty
    leeg; zonder inhoud
  3. empty (idle; unused)
    leeg; ijdel; ongevuld; loos
    • leeg bijvoeglijk naamwoord
    • ijdel bijvoeglijk naamwoord
    • ongevuld bijvoeglijk naamwoord
    • loos bijvoeglijk naamwoord
  4. empty (meaningless; hollow; idle)
    nietszeggend; hol; inhoudsloos; leeg
  5. empty (blank)
    leeg; inhoudsloos
  6. empty (perishing; evanescent; transient; )
    vergankelijk; voorbijgaand; eindig

to empty werkwoord (empties, emptied, emptying)

  1. to empty (make empty; remove what is inside; clear)
    legen; leegmaken; leeghalen; ledigen
    • legen werkwoord
    • leegmaken werkwoord (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
    • leeghalen werkwoord (haal leeg, haalt leeg, haalde leeg, haalden leeg, leeggehaald)
    • ledigen werkwoord (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
  2. to empty (drain; discharge; expel; disgorge; remove)
    afvoeren; lozen; afscheiden; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen
    • afvoeren werkwoord (voer af, voert af, voerde af, voerden af, afgevoerd)
    • lozen werkwoord (loos, loost, loosde, loosden, geloosd)
    • afscheiden werkwoord (scheid af, scheidt af, scheidde af, scheidden af, afgescheiden)
    • uitscheiden werkwoord (scheid uit, scheidt uit, scheidde uit, scheidden uit, uitgescheiden)
    • uitstoten werkwoord (stoot uit, stootte uit, uitgestoten)
    • uitwerpen werkwoord (werp uit, werpt uit, wierp uit, wierpen uit, uitgeworpen)
  3. to empty (drink up; drink; finish)
    leegmaken; opdrinken; ledigen; uitdrinken; leegdrinken
    • leegmaken werkwoord (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
    • opdrinken werkwoord (drink op, drinkt op, dronk op, dronken op, opgedronken)
    • ledigen werkwoord (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
    • uitdrinken werkwoord (drink uit, drinkt uit, dronk uit, dronken uit, uitgedronken)
    • leegdrinken werkwoord (drink leeg, drinkt leeg, dronk leeg, dronken leeg, leeggedronken)
  4. to empty (strip bare; ransack; gut)
    plunderen; uitzuigen; uitknijpen; leeghalen; uitpersen
    • plunderen werkwoord (plunder, plundert, plunderde, plunderden, geplunderd)
    • uitzuigen werkwoord (zuig uit, zuigt uit, zoog uit, zogen uit, uitgezogen)
    • uitknijpen werkwoord (knijp uit, knijpt uit, kneep uit, knepen uit, uitgeknepen)
    • leeghalen werkwoord (haal leeg, haalt leeg, haalde leeg, haalden leeg, leeggehaald)
    • uitpersen werkwoord (pers uit, perst uit, perste uit, persten uit, uitgeperst)
  5. to empty (clean out; clean up; tidy up; )
    opruimen; schoonmaken; reinigen; uitmesten; uitruimen
    • opruimen werkwoord (ruim op, ruimt op, ruimde op, ruimden op, opgeruimd)
    • schoonmaken werkwoord (maak schoon, maakt schoon, maakte schoon, maakten schoon, schoongemaakt)
    • reinigen werkwoord (reinig, reinigt, reinigde, reinigden, gereinigd)
    • uitmesten werkwoord (mest uit, mestte uit, mestten uit, uitgemest)
    • uitruimen werkwoord (ruim uit, ruimt uit, ruimde uit, ruimden uit, uitgeruimd)
  6. to empty (clear out; take out; remove; )
    uithalen; leeghalen; leegmaken; ledigen
    • uithalen werkwoord (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)
    • leeghalen werkwoord (haal leeg, haalt leeg, haalde leeg, haalden leeg, leeggehaald)
    • leegmaken werkwoord (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
    • ledigen werkwoord (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
  7. to empty (pour out)
    ledigen; uitgieten; leeggieten; leegmaken
    • ledigen werkwoord (ledig, ledigt, ledigde, ledigden, geledigd)
    • uitgieten werkwoord (giet uit, goot uit, goten uit, uitgegoten)
    • leeggieten werkwoord (giet leeg, goot leeg, goten leeg, leeggegoten)
    • leegmaken werkwoord (maak leeg, maakt leeg, maakte leeg, maakten leeg, leeggemaakt)
  8. to empty (evacuate; clear)
    ruimen
    • ruimen werkwoord (ruim, ruimt, ruimde, ruimden, geruimd)
  9. to empty (take out; clear out; pull out; lift out)
    uitnemen
    • uitnemen werkwoord (neem uit, neemt uit, nam uit, namen uit, uitgenomen)
  10. to empty (void water; drain; flow out)
    spuien; water afvoeren; uitwateren; water lozen

Conjugations for empty:

present
  1. empty
  2. empty
  3. empties
  4. empty
  5. empty
  6. empty
simple past
  1. emptied
  2. emptied
  3. emptied
  4. emptied
  5. emptied
  6. emptied
present perfect
  1. have emptied
  2. have emptied
  3. has emptied
  4. have emptied
  5. have emptied
  6. have emptied
past continuous
  1. was emptying
  2. were emptying
  3. was emptying
  4. were emptying
  5. were emptying
  6. were emptying
future
  1. shall empty
  2. will empty
  3. will empty
  4. shall empty
  5. will empty
  6. will empty
continuous present
  1. am emptying
  2. are emptying
  3. is emptying
  4. are emptying
  5. are emptying
  6. are emptying
subjunctive
  1. be emptied
  2. be emptied
  3. be emptied
  4. be emptied
  5. be emptied
  6. be emptied
diverse
  1. empty!
  2. let's empty!
  3. emptied
  4. emptying
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor empty:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
hol burrow; cave; cavern; cavity; compartment; den; grotto; hole; lair; niche
leeggieten emptying; pouring; pouring out
leegmaken draining; emptying
lozen desisting; discharging; draining off; sluices
reinigen clean-up; cleaning; cleansing; purification; service; washing; washing down
schoonmaken clean-up; cleaning; cleansing; purification; service; washing; washing down
spuien desisting; discharging; draining off; sluices
uitgieten emptying; pouring; pouring out
uitnemen removing
uitscheiden cease; knock off; quitting; stopping
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afscheiden discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove differentiate; dissociate from; isolate; place apart; separate; split; tear off
afvoeren discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove accompany; carry away; carry off; drain away; drain off; see off; take away; take in
ledigen clean out; clear; clear out; drain; drink; drink up; empty; finish; make empty; pour out; remove; remove what is inside; take out
leegdrinken drink; drink up; empty; finish
leeggieten empty; pour out
leeghalen clean out; clear; clear out; drain; empty; finish; gut; make empty; ransack; remove; remove what is inside; strip bare; take out
leegmaken clean out; clear; clear out; drain; drink; drink up; empty; finish; make empty; pour out; remove; remove what is inside; take out
legen clear; empty; make empty; remove what is inside
lozen discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove
opdrinken drink; drink up; empty; finish
opruimen clean out; clean up; clear; clear out; empty; finish; tidy out; tidy up clean; clear; clear away; clear the table; empty the table; put away; tidy up
plunderen empty; gut; ransack; strip bare cadge; collar; expropriate; filch; go thieving; loot; make off with; nick; pilfer; pillage; pinch; plunder; purloin; raid; rob; snatch; snitch; steal; swipe; take; take away
reinigen clean out; clean up; clear; clear out; empty; finish; tidy out; tidy up chasten; clean; clear; ennoble; give a good cleaning; purify; refine; remove; wash
ruimen clear; empty; evacuate
schoonmaken clean out; clean up; clear; clear out; empty; finish; tidy out; tidy up clean; clear; give a good cleaning; remove; wash
spuien drain; empty; flow out; void water express; spout; unload
uitdrinken drink; drink up; empty; finish
uitgieten empty; pour out
uithalen clean out; clear; clear out; drain; empty; finish; remove; take out get undone; play a trick; pull out; take out; undo; unpick; untie
uitknijpen empty; gut; ransack; strip bare peg out; pinch out; squeeze dry; squeeze empty; squeeze out
uitmesten clean out; clean up; clear; clear out; empty; finish; tidy out; tidy up
uitnemen clear out; empty; lift out; pull out; take out
uitpersen empty; gut; ransack; strip bare crush; squeeze
uitruimen clean out; clean up; clear; clear out; empty; finish; tidy out; tidy up
uitscheiden discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove abandon; cease; give up; stop
uitstoten discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove ban; banish; dispel; drive away; drive off; drive out; exile; exorcise; exorcize; expel; ostracise; ostracize; repel
uitwateren drain; empty; flow out; void water
uitwerpen discharge; disgorge; drain; empty; expel; remove cast out; eject; throw out
uitzuigen empty; gut; ransack; strip bare drain; suck out
water afvoeren drain; empty; flow out; void water
water lozen drain; empty; flow out; void water
- abandon; discharge; evacuate; vacate; void
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
eindig brief; casual; close; current; cursory; empty; evanescent; fleeting; informal; momentary; null; of short duration; passing; perfunctory; perishing; short; superficial; temporary; transient; transitory; volatile
hol empty; hollow; idle; meaningless
ijdel empty; idle; unused arrogant; condescending; for nothing; fruitless; futile; haughty; in vain; overbearing; presumptuous; self-satisfied; stuck-up; to no avail; vainly
inhoudsloos blank; empty; hollow; idle; meaningless
ledig empty
leeg blank; empty; hollow; idle; meaningless; unused blank; expressionless; vacant
loos empty; idle; unused blank; clear; lost; roguish; sly; unmarked
nietszeggend empty; hollow; idle; meaningless expressionless; futile; insignificant; meaningless; trifling; trivial; unimportant; unremarkable
onbezet empty
vergankelijk brief; casual; close; current; cursory; empty; evanescent; fleeting; informal; momentary; null; of short duration; passing; perfunctory; perishing; short; superficial; temporary; transient; transitory; volatile
voorbijgaand brief; casual; close; current; cursory; empty; evanescent; fleeting; informal; momentary; null; of short duration; passing; perfunctory; perishing; short; superficial; temporary; transient; transitory; volatile provisional; temporal; temporary
- empty-bellied; hollow; vacuous
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
opruimen Sweep
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ongevuld empty; idle; unused
zonder inhoud empty

Verwante woorden van "empty":


Synoniemen voor "empty":


Antoniemen van "empty":


Verwante definities voor "empty":

  1. holding or containing nothing1
    • an empty glass1
    • an empty room1
    • full of empty seats1
    • empty hours1
  2. emptied of emotion1
    • after the violent argument he felt empty1
  3. needing nourishment1
    • after skipped lunch the men were empty by suppertime1
  4. devoid of significance or point1
    • empty promises1
  5. a container that has been emptied1
    • return all empties to the store1
  6. excrete or discharge from the body1
  7. become empty or void of its content1
    • The room emptied1
  8. make void or empty of contents1
    • The alarm emptied the building1
  9. remove1
  10. leave behind empty; move out of1

Wiktionary: empty

empty
verb
  1. to make empty
adjective
  1. devoid of content
empty
adjective
  1. leeg
  2. zonder inhoud
verb
  1. de inhoud volledig verwijderen
  2. geleidelijk zijn inhoud verliezen

Cross Translation:
FromToVia
empty leeg; ledig; onbezet; opengevallen; vacant; behoeftig; berooid; nooddruftig; hol; lens; loos vide — Qui ne contenir rien ; qui est totalement dépourvoir de.
empty vacuüm; leegte videespace vide.