Engels naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. one:
  2. Wiktionary:
  3. Gebruikers suggesties voor one:
    • ene


Uitgebreide vertaling voor one (Engels) in het Nederlands


one bijvoeglijk naamwoord

  1. one (single; a; an)
    een; eentje
    • een bijvoeglijk naamwoord
    • eentje bijvoeglijk naamwoord
  2. one (1; ane; i)
    – used of a single unit or thing; not two or more 1
    een; één
    • een bijvoeglijk naamwoord
    • één bijvoeglijk naamwoord

Vertaal Matrix voor one:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- 1; I; ace; single; unity
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
een 1; a; an; ane; i; one; single
één 1; ane; i; one
- matchless; nonpareil; one and only; peerless; unitary; unmatchable; unmatched; unrivaled; unrivalled
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- only; single; sole
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
eentje a; an; one; single

Verwante woorden van "one":

Synoniemen voor "one":

Verwante definities voor "one":

  1. eminent beyond or above comparison1
    • she's one girl in a million1
  2. indefinite in time or position1
    • he will come one day1
    • one place or another1
  3. being a single entity made by combining separate components1
    • three chemicals combining into one solution1
  4. used informally as an intensifier1
    • that is one fine dog1
  5. of the same kind or quality1
    • two animals of one species1
  6. used of a single unit or thing; not two or more1
  7. having the indivisible character of a unit1
    • spoke with one voice1
  8. a single person or thing1
    • he is the best one1
    • this is the one I ordered1
  9. the smallest whole number or a numeral representing this number1
    • he has the one but will need a two and three to go with it1
    • they had lunch at one1

Wiktionary: one

  1. being an unknown person with the specified name
  2. being a preeminent example
  3. the same
  4. sole, only
  5. whole, entire
  6. a single, unspecified thing
  7. of a period of time
  1. dollar bill
  2. neutral element in multiplication
  3. digit or figure
  1. indefinite personal pronoun
  1. cardinal number 1
  1. iemand, maar niemand in het bijzonder
  1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling

Cross Translation:
one één; een eins — die Kardinalzahl zwischen null und zwei
one ze; zij man — die Leute (im Sinne von: die Öffentlichkeit)
one men on — Personne indéfinie
one enige; een of ander; een of andere; enigerlei quelconque — (vieilli) quel que ce soit ; quel qu’il soit, quelle qu’elle soit. — note Employé avec la négation, il se placer toujours après le nom.
one één; een; 'n un — Marque l’unité

Verwante vertalingen van one