Uitgebreide vertaling voor stub (Engels) in het Nederlands


stub [the ~] zelfstandig naamwoord

  1. the stub (stump)
    de stomp; de stronk
    • stomp [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • stronk [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  2. the stub (butt)
    uitgedrukte sigaret; de peuk
  3. the stub (tree stump)
    de stobbe; de boomstronk
    • stobbe [de ~] zelfstandig naamwoord
    • boomstronk [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor stub:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
boomstronk stub; tree stump tree stump
peuk butt; stub butt; cigarette; smoke
stobbe stub; tree stump tree stump
stomp stub; stump
stronk stub; stump tree stump
uitgedrukte sigaret butt; stub
- butt; check stub; counterfoil; nub; ticket stub
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
stomp blunt
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
- projection

Verwante woorden van "stub":

Synoniemen voor "stub":

Verwante definities voor "stub":

  1. the small unused part of something (especially the end of a cigarette that is left after smoking)1
  2. the part of a check that is retained as a record1
  3. a torn part of a ticket returned to the holder as a receipt1
  4. a small piece1
    • a stub of a pencil1
  5. a short piece remaining on a trunk or stem where a branch is lost1
  6. strike (one's toe) accidentally against an object1
    • She stubbed her toe in the dark and now it's broken1
  7. clear of weeds by uprooting them1
    • stub a field1
  8. extinguish by crushing1
    • stub out your cigarette now1
  9. pull up (weeds) by their roots1
  10. A routine that contains no executable code and that generally consists of comments describing what will eventually be there; it is used as a placeholder for a routine to be written later.2

Wiktionary: stub

  1. something cut short, blunted, or stunted
  1. to jam, hit, or bump, especially a toe

Cross Translation:
stub boomstronk; tronk; strobbe Baumstumpfunterer Teil eines gefällten oder abgebrochenen Baumes
stub stomp; peuk Stummel — ein kurzes Reststück, was übrig geblieben ist
stub slaan; halen; inslaan; raken; teisteren; treffen; klappen; kloppen; opvallen; houwen; meppen frapper — A TRIER
stub aanstoot geven; choqueren; kwetsen; aanbotsen; geduwd worden; zich stoten; klappen; kloppen; slaan; opvallen; houwen; meppen heurterentrer brusquement en contact.
stub stomp; stronk moignon — Ce qui rester d’un bras, d’une jambe, d’une cuisse coupée.
stub peuk mégotbout qui reste d’un cigare ou d’une cigarette quand on a fini de les fumer.
stub stomp; stronk; baanvak tronçon — section d'un objet allongé