Overzicht


Engels

Uitgebreide vertaling voor switch on (Engels) in het Nederlands

switch on:

to switch on werkwoord (switchs on, switched on, switching on)

  1. to switch on (turn on; connect; put on; start; light)
    inschakelen; aanzetten; aandoen; starten; aanmaken
    • inschakelen werkwoord (schakel in, schakelt in, schakelde in, schakelden in, ingeschakeld)
    • aanzetten werkwoord (zet aan, zette aan, zetten aan, aangezet)
    • aandoen werkwoord (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
    • starten werkwoord (start, startte, startten, gestart)
    • aanmaken werkwoord (maak aan, maakt aan, maakte aan, maakten aan, aangemaakt)
  2. to switch on (turn on)
    inschakelen; aandoen; aandraaien
    • inschakelen werkwoord (schakel in, schakelt in, schakelde in, schakelden in, ingeschakeld)
    • aandoen werkwoord (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
    • aandraaien werkwoord (draai aan, draait aan, draaide aan, draaiden aan, aangedraaid)

Conjugations for switch on:

present
  1. switch on
  2. switch on
  3. switchs on
  4. switch on
  5. switch on
  6. switch on
simple past
  1. switched on
  2. switched on
  3. switched on
  4. switched on
  5. switched on
  6. switched on
present perfect
  1. have switched on
  2. have switched on
  3. has switched on
  4. have switched on
  5. have switched on
  6. have switched on
past continuous
  1. was switching on
  2. were switching on
  3. was switching on
  4. were switching on
  5. were switching on
  6. were switching on
future
  1. shall switch on
  2. will switch on
  3. will switch on
  4. shall switch on
  5. will switch on
  6. will switch on
continuous present
  1. am switching on
  2. are switching on
  3. is switching on
  4. are switching on
  5. are switching on
  6. are switching on
subjunctive
  1. be switched on
  2. be switched on
  3. be switched on
  4. be switched on
  5. be switched on
  6. be switched on
diverse
  1. switch on!
  2. let's switch on!
  3. switched on
  4. switching on
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Vertaal Matrix voor switch on:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aandoen attiring; clothing; dressing
aanmaken fabrication; making; manufacturing; preparation; producing; production; repairing
aanzetten encouraging; impelling; inciting; stimulation; turning on
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aandoen connect; light; put on; start; switch on; turn on bring evil upon; cause; dress; hurt; instigate; put on
aandraaien switch on; turn on lock; screw on; thighten
aanmaken connect; light; put on; start; switch on; turn on ignite; inflame; kindle; light; put on
aanzetten connect; light; put on; start; switch on; turn on activate; bait; drive; encourage; excite; goad; grind; incite; instigate; irritate; nettle; sharpen; stimulate; stir up; strop; urge; whet; whip up
inschakelen connect; light; put on; start; switch on; turn on enable; turn on
starten connect; light; put on; start; switch on; turn on begin; bring up; broach; broach a subject; commence; cut into; herald; open; put forward; put on the table; ring in; set in motion; set up; start; start to; strike up; take off; take on; undertake
- turn on

Synoniemen voor "switch on":


Antoniemen van "switch on":


Verwante definities voor "switch on":

  1. cause to operate by flipping a switch1
    • switch on the light1

Wiktionary: switch on

switch on
verb
  1. to turn a switch to the "on" position
switch on
verb
  1. iets in werking stellen

Cross Translation:
FromToVia
switch on aandoen; aandraaien; aansteken; schakelen; inschakelen; inhaken brancher — Se percher sur les branches d’un arbre.
switch on openen; aandoen; aandraaien; aansteken; schakelen; inschakelen; ontsluiten; opendoen; openmaken ouvrir — Faire que ce qui clore, fermer, ne le être plus.
switch on aandoen; aandraaien; aansteken; schakelen; inschakelen tourner — Traductions à trier suivant le sens

Verwante vertalingen van switch on