Overzicht
Spaans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. contagiar:
  2. Wiktionary:


Spaans

Uitgebreide vertaling voor contagiar (Spaans) in het Nederlands

contagiar:

contagiar werkwoord

  1. contagiar (contaminar; infectar)
    besmetten; aansteken
    • besmetten werkwoord (besmet, besmette, besmetten, besmet)
    • aansteken werkwoord (steek aan, steekt aan, stak aan, staken aan, aangestoken)

Conjugations for contagiar:

presente
  1. contagio
  2. contagias
  3. contagia
  4. contagiamos
  5. contagiáis
  6. contagian
imperfecto
  1. contagiaba
  2. contagiabas
  3. contagiaba
  4. contagiábamos
  5. contagiabais
  6. contagiaban
indefinido
  1. contagié
  2. contagiaste
  3. contagió
  4. contagiamos
  5. contagiasteis
  6. contagiaron
fut. de ind.
  1. contagiaré
  2. contagiarás
  3. contagiará
  4. contagiaremos
  5. contagiaréis
  6. contagiarán
condic.
  1. contagiaría
  2. contagiarías
  3. contagiaría
  4. contagiaríamos
  5. contagiaríais
  6. contagiarían
pres. de subj.
  1. que contagie
  2. que contagies
  3. que contagie
  4. que contagiemos
  5. que contagiéis
  6. que contagien
imp. de subj.
  1. que contagiara
  2. que contagiaras
  3. que contagiara
  4. que contagiáramos
  5. que contagiarais
  6. que contagiaran
miscelánea
  1. ¡contagia!
  2. ¡contagiad!
  3. ¡no contagies!
  4. ¡no contagiéis!
  5. contagiado
  6. contagiando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor contagiar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aansteken contaminación; intoxicación
besmetten contaminación; intoxicación
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aansteken contagiar; contaminar; infectar alzar; amanecer; comenzar; encender; encender un sigarrillo; enlucir; incendiar; levantar; prender fuego a; robar con engaño
besmetten contagiar; contaminar; infectar

Synoniemen voor "contagiar":


Wiktionary: contagiar

contagiar
verb
  1. besmetten met een begin van rotting
  2. blootstellen aan een ziektekiem, gif of radioactief materiaal
  3. (overgankelijk), (medisch, nld) aansteken, besmetten

Cross Translation:
FromToVia
contagiar infecteren infect — to bring into contact with a substance that causes illness
contagiar infecteren infect — to make somebody enthusiastic about one's own passion
contagiar contamineren kontaminierenUmwelt, transitiv: etwas mit