Spaans

Uitgebreide vertaling voor cubierto (Spaans) in het Nederlands

cubierto:

cubierto [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el cubierto (sobre)
    de envelop
    • envelop [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. el cubierto (sobre)
    de briefomslag
  3. el cubierto
    het couvert; maaltijdgang

cubierto bijvoeglijk naamwoord

  1. cubierto
    overdekt
  2. cubierto (tapado)
    afgedekt; bedekt
  3. cubierto (velado; opaco; opaca; encubierto)
    omfloerst
  4. cubierto (asegurado)
    gecovered; gedekt; gezekerd
  5. cubierto (tapizado; decorado; revestido)
    gestoffeerd; bekleed
  6. cubierto (protegido)
    ingedekt
  7. cubierto (encapotado; velado)
    bedekt; overkapt
  8. cubierto (velado; tapado; opaco; opaca; encubierto)
    gesluierd

Vertaal Matrix voor cubierto:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
briefomslag cubierto; sobre
couvert cubierto cubiertos; sobre; utensilios de mesa
envelop cubierto; sobre sobre
maaltijdgang cubierto
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bedekt cubierto; encapotado; tapado; velado a escondidas; a hurtadillas; callandito; clandestino; de reojo; disfrazado; disimulado; enmascarado; furtivo; ocultado; ocultamente; secreto; simulado; subrepticio; velado
gedekt asegurado; cubierto
gesluierd cubierto; encubierto; opaca; opaco; tapado; velado
gestoffeerd cubierto; decorado; revestido; tapizado
omfloerst cubierto; encubierto; opaca; opaco; velado
overdekt cubierto
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afgedekt cubierto; tapado
bekleed cubierto; decorado; revestido; tapizado
gecovered asegurado; cubierto
gezekerd asegurado; cubierto
ingedekt cubierto; protegido
overkapt cubierto; encapotado; velado

Verwante woorden van "cubierto":


Synoniemen voor "cubierto":


Wiktionary: cubierto

cubierto
noun
  1. gerei waarmee het eten aan tafel behandeld wordt
  2. eetgerei
  3. voorwerpen die men aan tafel gebruikt.
adjective
  1. die erbij horen
  2. met wolken bedekt

Cross Translation:
FromToVia
cubierto kleden clad — to clothe
cubierto bestek; couvert; eetgerei; tafelgerei couvert — La nappe avec les serviettes, les couteaux, les cuillers, etc. (Sens général).
cubierto naargeestig; troosteloos; droefgeestig; melancholiek; weemoedig; zwaarmoedig; betrokken; bewolkt; donker; duister; mistroostig; somber; triestig sombre — Qui est peu éclairer ; qui recevoir peu de lumière ; qui est obscur.

cubrir:

cubrir werkwoord

  1. cubrir (tapar; recubrir; revestir; )
    bedekken; bekleden; overtrekken
    • bedekken werkwoord (bedek, bedekt, bedekte, bedekten, bedekt)
    • bekleden werkwoord (bekleed, bekleedt, bekleedde, bekleedden, bekleed)
    • overtrekken werkwoord (overtrek, overtrekt, overtrok, overtrokken, overtrokken)
  2. cubrir (encubrir; proteger; tapar; )
    afschermen; afdekken; beschermen; afschutten; beschutten
    • afschermen werkwoord (scherm af, schermt af, schermde af, schermden af, afgeschermd)
    • afdekken werkwoord (dek af, dekt af, dekte af, dekten af, afgedekt)
    • beschermen werkwoord (bescherm, beschermt, beschermde, beschermden, beschermd)
    • afschutten werkwoord (schut af, schutte af, schutten af, afgeschut)
    • beschutten werkwoord (beschut, beschutte, beschutten, beschut)
  3. cubrir (alisar; planchar; rozar; arriar)
    strijken; gladstrijken
    • strijken werkwoord (strijk, strijkt, streek, streken, gestreken)
    • gladstrijken werkwoord (strijk glad, strijkt glad, strijkte glad, strijkten glad, gladgestreken)
  4. cubrir (recubrir)
    overdekken
    • overdekken werkwoord (overdek, overdekt, overdekte, overdekten, overdekt)
  5. cubrir (techar; recubrir; abovedar; poner un techo)
    dekken; overwelven; overkappen
    • dekken werkwoord (dek, dekt, dekte, dekten, gedekt)
    • overwelven werkwoord (overwelf, overwelft, overwelfde, overwelfden, overwelfd)
    • overkappen werkwoord (overkap, overkapt, overkapte, overkapten, overkapt)
  6. cubrir (abarcar; incluir; contener; )
    omvatten
    • omvatten werkwoord (omvat, omvatte, omvatten, omvat)
  7. cubrir (blindar)
    afdekken; blinderen
    • afdekken werkwoord (dek af, dekt af, dekte af, dekten af, afgedekt)
    • blinderen werkwoord (blindeer, blindeert, blindeerde, blindeerden, geblindeerd)
  8. cubrir (abarcar; incluir; acompañar; )
    toevoegen; bijvoegen; insluiten; bijsluiten
    • toevoegen werkwoord (voeg toe, voegt toe, voegde toe, voegden toe, toegevoegd)
    • bijvoegen werkwoord (voeg bij, voegt bij, voegde bij, voegden bij, bijgevoegd)
    • insluiten werkwoord (sluit in, sloot in, sloten in, ingesloten)
    • bijsluiten werkwoord
  9. cubrir (rellenar; cerrar; tapar; terraplenar)
    dichtgooien
    • dichtgooien werkwoord (gooi dicht, gooit dicht, gooide dicht, gooiden dicht, dichtgegooid)
  10. cubrir (drapear; envolver; cubrir con tela)
    draperen; met stof behangen
    • draperen werkwoord (drapeer, drapeert, drapeerde, drapeerden, gedrapeerd)
    • met stof behangen werkwoord (behang met stof, behangt met stof, behing met stof, behingen met stof, met stof behangen)
  11. cubrir (pasar)
  12. cubrir (tapar; dar a escondidas)
    toestoppen
    • toestoppen werkwoord (stop toe, stopt toe, stopte toe, stopten toe, toegestopt)
  13. cubrir (revestir; decorar)
    bekleden; van bekleding voorzien; overtrekken; stofferen
    • bekleden werkwoord (bekleed, bekleedt, bekleedde, bekleedden, bekleed)
    • overtrekken werkwoord (overtrek, overtrekt, overtrok, overtrokken, overtrokken)
    • stofferen werkwoord (stoffeer, stoffeert, stoffeerde, stoffeerden, gestoffeeerd)
  14. cubrir (encubrir; velar; enmascarar; esconder; ocultar)
    maskeren; omhullen; bedekken; verhullen; versluieren; bemantelen; inhullen; hullen
    • maskeren werkwoord (masker, maskert, maskerde, maskerden, gemaskeerd)
    • omhullen werkwoord (omhul, omhult, omhulde, omhulden, omhuld)
    • bedekken werkwoord (bedek, bedekt, bedekte, bedekten, bedekt)
    • verhullen werkwoord (verhul, verhult, verhulde, verhulden, verhuld)
    • versluieren werkwoord (versluier, versluiert, versluierde, versluierden, versluierd)
    • bemantelen werkwoord (bemantel, bemantelt, bemantelde, bemantelden, bemanteld)
    • inhullen werkwoord (hul in, hult in, hulde in, hulden in, ingehuld)
    • hullen werkwoord (hul, hult, hulde, hulden, gehuld)

Conjugations for cubrir:

presente
  1. cubro
  2. cubres
  3. cubre
  4. cubrimos
  5. cubrís
  6. cubren
imperfecto
  1. cubría
  2. cubrías
  3. cubría
  4. cubríamos
  5. cubríais
  6. cubrían
indefinido
  1. cubrí
  2. cubriste
  3. cubrió
  4. cubrimos
  5. cubristeis
  6. cubrieron
fut. de ind.
  1. cubriré
  2. cubrirás
  3. cubrirá
  4. cubriremos
  5. cubriréis
  6. cubrirán
condic.
  1. cubriría
  2. cubrirías
  3. cubriría
  4. cubriríamos
  5. cubriríais
  6. cubrirían
pres. de subj.
  1. que cubra
  2. que cubras
  3. que cubra
  4. que cubramos
  5. que cubráis
  6. que cubran
imp. de subj.
  1. que cubriera
  2. que cubrieras
  3. que cubriera
  4. que cubriéramos
  5. que cubrierais
  6. que cubrieran
miscelánea
  1. ¡cubre!
  2. ¡cubrid!
  3. ¡no cubras!
  4. ¡no cubráis!
  5. cubierto
  6. cubriendo
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

cubrir [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el cubrir
    bedekken; beslaan
    • bedekken [znw.] zelfstandig naamwoord
    • beslaan [znw.] zelfstandig naamwoord
  2. el cubrir
    indekken

cubrir

  1. cubrir
    bedekken; met iets bestrijken

Vertaal Matrix voor cubrir:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afdekken protección
afschermen protección
afschutten tabicar
bedekken cubrir
beschermen protección
beslaan cubrir
bijvoegen añadir; incorporar
dekken abrigo contra; protección; seguridad
indekken cubrir
overtrekken calcar; copiar
toevoegen añadir; incorporar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afdekken abrigar; blindar; camuflar; cercar; cubrir; encerrar; encubrir; guardar; proteger; tapar recoger; recoger la mesa
afschermen abrigar; camuflar; cercar; cubrir; encerrar; encubrir; guardar; proteger; tapar echar el cerrojo
afschutten abrigar; camuflar; cercar; cubrir; encerrar; encubrir; guardar; proteger; tapar cerrar; poner una valla
bedekken calcar; cubrir; cumplir con; encubrir; enmascarar; esconder; forrar; ocultar; recubrir; revestir; tapar; tapizar; velar
bekleden calcar; cubrir; cumplir con; decorar; forrar; recubrir; revestir; tapar; tapizar
bemantelen cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar esconder; ocultar; velar
beschermen abrigar; camuflar; cercar; cubrir; encerrar; encubrir; guardar; proteger; tapar amparar; conservar; defender; defensar; disimular; esconder; guardar; proteger; proteger con un sistema de seguridad; proveer de una instalación de alarma; salvaguardar
beschutten abrigar; camuflar; cercar; cubrir; encerrar; encubrir; guardar; proteger; tapar defender; defensar; disimular; esconder; guardar; proteger; salvaguardar
beslaan llenar; ocupar espacio; tomar espacio
bijsluiten abarcar; abrazar; acompañar; acorralar; adjuntar; agregar; aislar; añadir; comprimir; contener; contornear; copar; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir; limitar; restringir acceder; acompañar; adjuntar; agregar; alzar; ampliar; añadir; incluir
bijvoegen abarcar; abrazar; acompañar; acorralar; adjuntar; agregar; aislar; añadir; comprimir; contener; contornear; copar; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir; limitar; restringir acceder; acompañar; adjuntar; agregar; alzar; ampliar; añadir; incluir
blinderen blindar; cubrir
dekken abovedar; cubrir; poner un techo; recubrir; techar
dichtgooien cerrar; cubrir; rellenar; tapar; terraplenar
draperen cubrir; cubrir con tela; drapear; envolver
gladstrijken alisar; arriar; cubrir; planchar; rozar
hullen cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar
indekken cubrirse
inhullen cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar
insluiten abarcar; abrazar; acompañar; acorralar; adjuntar; agregar; aislar; añadir; comprimir; contener; contornear; copar; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir; limitar; restringir acorralar; cercar; ceñir; encerrar; incluir; insertar; rodear
maskeren cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar
met stof behangen cubrir; cubrir con tela; drapear; envolver
omhullen cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar
omvatten abarcar; acorralar; ceñir; comprender; comprimir; contener; contornear; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir
overdekken cubrir; recubrir
overheen trekken cubrir; pasar
overkappen abovedar; cubrir; poner un techo; recubrir; techar
overtrekken calcar; cubrir; cumplir con; decorar; forrar; recubrir; revestir; tapar; tapizar copiar; demarcar; dibujar; recubrir; trazar
overwelven abovedar; cubrir; poner un techo; recubrir; techar
stofferen cubrir; decorar; revestir
strijken alisar; arriar; cubrir; planchar; rozar
toestoppen cubrir; dar a escondidas; tapar
toevoegen abarcar; abrazar; acompañar; acorralar; adjuntar; agregar; aislar; añadir; comprimir; contener; contornear; copar; cubrir; dominar; encapsular; encerrar; englobar; envolver; incluir; limitar; restringir acceder; acompañar; adjuntar; agregar; alzar; ampliar; anexar; apostar; añadir; completar; contar; contar también; incluir; insertar; sumar; suplir el déficit
van bekleding voorzien cubrir; decorar; revestir
verhullen cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar esconder; ocultar; velar
versluieren cubrir; encubrir; enmascarar; esconder; ocultar; velar esconder; ocultar; velar
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
beslaan empañarse
met iets bestrijken cubrir

Synoniemen voor "cubrir":


Wiktionary: cubrir

cubrir
verb
  1. het nog schuldige betalen
  2. iets over iets anders heen plaatsen
  3. iets over iets heen plaatsen zodat het niet zichtbaar is
  4. bedekken door er iets op te leggen
  5. (overgankelijk) (ter bescherming) (met een deken) bedekken

Cross Translation:
FromToVia
cubrir bekleden; coaten coat — to cover with a coat of some material
cubrir dekken; bedekken cover — to conceal or protect
cubrir dekken cover — provide enough money for
cubrir bestijgen; dekken; paren; bespringen cover — copulate
cubrir insmeren smear — to spread (a surface) with a substance
cubrir bedekken bedecken — etwas über etwas/jemanden legen (oft zum Schutze vor z.B. Kälte oder Blicken)
cubrir bekleden; overtrekken; coveren; beleggen; dekken; bedekken; toedekken recouvrir — Couvrir de nouveau. (Sens général)

Verwante vertalingen van cubierto