Overzicht
Spaans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. deshonra:
  2. deshonrar:
  3. Wiktionary:


Spaans

Uitgebreide vertaling voor deshonra (Spaans) in het Nederlands

deshonra:

deshonra [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el deshonra (oprobio; oveja negra)
    de schandvlek; het schandmerk; de smet

deshonra [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la deshonra (escándalo; vergüenza; deshonor; oprobio; ignominia)
    het schandaal
  2. la deshonra (culpa; mancha; reproche)
    de blaam
    • blaam [de ~] zelfstandig naamwoord
  3. la deshonra (cercenamiento; corte; poda; )
    de ontering; de verlaging
    • ontering [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • verlaging [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor deshonra:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
blaam culpa; deshonra; mancha; reproche
ontering cercenamiento; corte; deshonor; deshonra; poda; recorte; recorte salarial; reducción de los gastos; reducción salarial
schandaal deshonor; deshonra; escándalo; ignominia; oprobio; vergüenza
schandmerk deshonra; oprobio; oveja negra
schandvlek deshonra; oprobio; oveja negra
smet deshonra; oprobio; oveja negra mancha; marca; tacha
verlaging cercenamiento; corte; deshonor; deshonra; poda; recorte; recorte salarial; reducción de los gastos; reducción salarial degradación; descenso; disminución; recorte salarial; reducción de los gastos; reducción salarial; vergüenza

Synoniemen voor "deshonra":


Wiktionary: deshonra

deshonra
noun
  1. een afgang veroorzaakt door eigen falen

deshonra vorm van deshonrar:

deshonrar werkwoord

  1. deshonrar (profanar; violar)
    schenden; ontwijden; ontheiligen
    • schenden werkwoord (schend, schendt, schond, schonden, geschonden)
    • ontwijden werkwoord (ontwijd, ontwijdt, ontwijdde, ontwijdden, ontwijd)
    • ontheiligen werkwoord (ontheilig, ontheiligt, ontheiligde, ontheiligden, ontheiligd)
  2. deshonrar (forzar; atacar; violar)
    onteren; ontwijden
    • onteren werkwoord (onteer, onteert, onteerde, onteerden, onteerd)
    • ontwijden werkwoord (ontwijd, ontwijdt, ontwijdde, ontwijdden, ontwijd)

Conjugations for deshonrar:

presente
  1. deshonro
  2. deshonras
  3. deshonra
  4. deshonramos
  5. deshonráis
  6. deshonran
imperfecto
  1. deshonraba
  2. deshonrabas
  3. deshonraba
  4. deshonrábamos
  5. deshonrabais
  6. deshonraban
indefinido
  1. deshonré
  2. deshonraste
  3. deshonró
  4. deshonramos
  5. deshonrasteis
  6. deshonraron
fut. de ind.
  1. deshonraré
  2. deshonrarás
  3. deshonrará
  4. deshonraremos
  5. deshonraréis
  6. deshonrarán
condic.
  1. deshonraría
  2. deshonrarías
  3. deshonraría
  4. deshonraríamos
  5. deshonraríais
  6. deshonrarían
pres. de subj.
  1. que deshonre
  2. que deshonres
  3. que deshonre
  4. que deshonremos
  5. que deshonréis
  6. que deshonren
imp. de subj.
  1. que deshonrara
  2. que deshonraras
  3. que deshonrara
  4. que deshonráramos
  5. que deshonrarais
  6. que deshonraran
miscelánea
  1. ¡deshonra!
  2. ¡deshonrad!
  3. ¡no deshonres!
  4. ¡no deshonréis!
  5. deshonrado
  6. deshonrando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor deshonrar:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
onteren atacar; deshonrar; forzar; violar
ontheiligen deshonrar; profanar; violar
ontwijden atacar; deshonrar; forzar; profanar; violar
schenden deshonrar; profanar; violar

Synoniemen voor "deshonrar":


Wiktionary: deshonrar

deshonrar