Spaans

Uitgebreide vertaling voor expresar (Spaans) in het Nederlands

expresar:

expresar werkwoord

  1. expresar (apagar; decir; pronunciarse; )
    uiten; uitdrukken; verwoorden; uiting geven aan; uitdrukking geven aan; vertolken
    • uiten werkwoord (uit, uitte, uitten, geuit)
    • uitdrukken werkwoord (druk uit, drukt uit, drukte uit, drukten uit, uitgedrukt)
    • verwoorden werkwoord (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • uiting geven aan werkwoord
    • uitdrukking geven aan werkwoord (geef uitdrukking aan, geeft uitdrukking aan, gaf uitdrukking aan, gaven uitdrukking aan, uitdrukking gegeven aan)
    • vertolken werkwoord (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  2. expresar (describir; reflejar; interpretar; reproducir; hacerse eco de)
    beschrijven; weergeven
    • beschrijven werkwoord (beschrijf, beschrijft, beschreef, beschrijfden, beschreven)
    • weergeven werkwoord (geef weer, geeft weer, gaf weer, gaven weer, weergegeven)
  3. expresar (dar voz a)
    uiten; spuien
    • uiten werkwoord (uit, uitte, uitten, geuit)
    • spuien werkwoord (spui, spuit, spuide, spuiden, gespuid)
  4. expresar (manifestar; mostrar)
    betuigen; betonen
    • betuigen werkwoord (betuig, betuigt, betuigde, betuigden, betuigd)
    • betonen werkwoord (betoon, betoont, betoonde, betoonden, betoond)
  5. expresar (traducir; interpretar; hacerse eco de; reproducir; reflejar)
    vertalen; translateren; vertolken; overzetten
    • vertalen werkwoord (vertaal, vertaalt, vertaalde, vertaalden, vertaald)
    • translateren werkwoord
    • vertolken werkwoord (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
    • overzetten werkwoord (zet over, zette over, zetten over, overgezet)
  6. expresar (formular; dar cierta forma a; frasear; expresarse; redactar)
    inkleden
    • inkleden werkwoord (kleed in, kleedt in, kleedde in, kleedden in, ingekleed)
  7. expresar (demostrar; enseñar; mostrar; )
    presenteren; laten zien; tonen; vertonen
    • presenteren werkwoord (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien werkwoord (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • tonen werkwoord (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen werkwoord (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
  8. expresar (formular; redactar; frasear; expresarse)
    verwoorden; verbaliseren; formuleren
    • verwoorden werkwoord (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • verbaliseren werkwoord (verbaliseer, verbaliseert, verbaliseerde, verbaliseerden, verbaliseerd)
    • formuleren werkwoord (formuleer, formuleert, formuleerde, formuleerden, geformuleerd)
  9. expresar (frasear; redactar; formular; expresarse)
    fraseren
    • fraseren werkwoord (fraseer, fraseert, fraseerde, fraseerden, gefraseerd)
  10. expresar (personificar; encarnar; interpretar; )
    verpersonificeren; uitbeelden; verbeelden; vertolken
    • verpersonificeren werkwoord
    • uitbeelden werkwoord (beeld uit, beeldt uit, beeldde uit, beeldden uit, uitgebeeld)
    • verbeelden werkwoord (verbeeld, verbeeldt, verbeeldde, verbeeldden, verbeeld)
    • vertolken werkwoord (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)

Conjugations for expresar:

presente
  1. expreso
  2. expresas
  3. expresa
  4. expresamos
  5. expresáis
  6. expresan
imperfecto
  1. expresaba
  2. expresabas
  3. expresaba
  4. expresábamos
  5. expresabais
  6. expresaban
indefinido
  1. expresé
  2. expresaste
  3. expresó
  4. expresamos
  5. expresasteis
  6. expresaron
fut. de ind.
  1. expresaré
  2. expresarás
  3. expresará
  4. expresaremos
  5. expresaréis
  6. expresarán
condic.
  1. expresaría
  2. expresarías
  3. expresaría
  4. expresaríamos
  5. expresaríais
  6. expresarían
pres. de subj.
  1. que exprese
  2. que expreses
  3. que exprese
  4. que expresemos
  5. que expreséis
  6. que expresen
imp. de subj.
  1. que expresara
  2. que expresaras
  3. que expresara
  4. que expresáramos
  5. que expresarais
  6. que expresaran
miscelánea
  1. ¡expresa!
  2. ¡expresad!
  3. ¡no expreses!
  4. ¡no expreséis!
  5. expresado
  6. expresando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor expresar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
laten zien demostración; exhibición; manifestación; muestra
spuien vertido
tonen exhibición; representación
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beschrijven describir; expresar; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir contar; definir; describir; detallar; escribir en; explicar; exponer; hacer un boceto; narrar
betonen expresar; manifestar; mostrar acentuar; destacar; hacer híncapie en; hacer notar; hacer resaltar; poner énfasis en; realzar; recalcar; subrayar
betuigen expresar; manifestar; mostrar
formuleren expresar; expresarse; formular; frasear; redactar formular; frasear; redactar
fraseren expresar; expresarse; formular; frasear; redactar
inkleden dar cierta forma a; expresar; expresarse; formular; frasear; redactar
laten zien demostrar; enseñar; exhibir; exponer; expresar; hacer postura; mostrar; presentar aparecer; atestiguar; dar muestras de; demostrar; emitir; enseñar; exhibir; hacer aparecer; hacer la presentación de; lanzar; manifestar; mostrar; ofertar; ofrecer; parecer; poner; presentar; proyectar; representar; sacar; sacar una cosa; someter a; testimoniar; traer a colación
overzetten expresar; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir; traducir transferir; transponer; trasladar; trasvasar
presenteren demostrar; enseñar; exhibir; exponer; expresar; hacer postura; mostrar; presentar aparecer; demostrar; enseñar; entregar; exhibir; hacer la presentación de; manifestar; mostrar; ofertar; ofrecer; parecer; poner; presentar; proyectar; representar; someter a
spuien dar voz a; expresar desaguar
tonen demostrar; enseñar; exhibir; exponer; expresar; hacer postura; mostrar; presentar aparecer; demostrar; enseñar; exhibir; exponer; hacer la presentación de; lucir; manifestar; mostrar; ofertar; ofrecer; ostentar; parecer; poner; presentar; proyectar; representar; revelar; someter a
translateren expresar; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir; traducir interpretar; traducir
uitbeelden caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
uitdrukken apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; hablar; parlar; pronunciarse exprimir
uitdrukking geven aan apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; hablar; parlar; pronunciarse
uiten apagar; caracterizar; dar voz a; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; hablar; parlar; pronunciarse
uiting geven aan apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; hablar; parlar; pronunciarse
verbaliseren expresar; expresarse; formular; frasear; redactar
verbeelden caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
verpersonificeren caracterizar; encarnar; expresar; imitar; interpretar; personificar; pintar
vertalen expresar; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir; traducir interpretar; traducir
vertolken apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; encarnar; escoger; expresar; hablar; hacerse eco de; imitar; interpretar; parlar; personificar; pintar; pronunciarse; reflejar; reproducir; traducir interpretar; traducir
vertonen demostrar; enseñar; exhibir; exponer; expresar; hacer postura; mostrar; presentar demostrar; enseñar; exhibir; exponer; hacer la presentación de; lucir; manifestar; mostrar; ostentar; poner; presentar; representar; revelar
verwoorden apagar; caracterizar; decir; desembrollar; desenmarañar; desentrañar; deshilarse; dictar; escoger; expresar; expresarse; formular; frasear; hablar; parlar; pronunciarse; redactar poner sobre el tapete; sacar a relucir
weergeven describir; expresar; hacerse eco de; interpretar; reflejar; reproducir presentar; representar; ver; visualizar

Synoniemen voor "expresar":


Wiktionary: expresar

expresar
verb
  1. in woorden omzetten

Cross Translation:
FromToVia
expresar overbrengen convey — to communicate
expresar uitdrukken express — to convey meaning
expresar uitdrukken exprimer — Manifester une pensée
expresar vertegenwoordigen; staan voor; beschrijven; spelen; uitvoeren; voorspelen; betuigen; opperen; uitdrukken; uiten; uitspreken; verwoorden; zetten représenterprésenter de nouveau.

Computer vertaling door derden:

Verwante vertalingen van expresar