Spaans

Uitgebreide vertaling voor ganado (Spaans) in het Nederlands

ganado:

ganado [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el ganado (censo ganadero)
    de veestapel; het vee
    • veestapel [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • vee [het ~] zelfstandig naamwoord
  2. el ganado
    de veestapel

Vertaal Matrix voor ganado:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
vee censo ganadero; ganado
veestapel censo ganadero; ganado

Synoniemen voor "ganado":


Wiktionary: ganado

ganado
noun
  1. als vee gehouden runderen
  2. door de mens om economische redenen gehouden dieren

Cross Translation:
FromToVia
ganado rundvee cattle — domesticated bovine animals
ganado vee livestock — farm animals
ganado kudde mob — group of animals
ganado vee Vieh — Alle Nutztiere, die in der Landwirtschaft gehalten werden.

ganado vorm van ganar:

ganar werkwoord

  1. ganar (vencer; triunfar; salir victorioso; salir triunfante)
    winnen; de overwinning behalen; zegevieren
    • winnen werkwoord (win, wint, won, wonnen, gewonnen)
    • de overwinning behalen werkwoord (behaal de overwinning, behaalt de overwinning, behaalde de overwinning, behaalden de overwinning, de overwinning behaald)
    • zegevieren werkwoord (zegevier, zegeviert, zegevierde, zegevierden, gezegevierd)
  2. ganar (obtener; alcanzar; triunfar)
    verkrijgen; behalen; winnen
    • verkrijgen werkwoord (verkrijg, verkrijgt, verkreeg, verkregen, verkregen)
    • behalen werkwoord (behaal, behaalt, behaalde, behaalden, behaald)
    • winnen werkwoord (win, wint, won, wonnen, gewonnen)
  3. ganar (ganar dinero; merecer; mantener a la familia)
    verdienen
    • verdienen werkwoord (verdien, verdient, verdiende, verdienden, verdiend)
  4. ganar (coger; buscar; tomar; )
    pakken; halen
    • pakken werkwoord (pak, pakt, pakte, pakten, gepakt)
    • halen werkwoord (haal, haalt, haalde, haalden, gehaald)
  5. ganar (armar; hacer; crear; )
    maken; scheppen; in het leven roepen
    • maken werkwoord (maak, maakt, maakte, maakten, gemaakt)
    • scheppen werkwoord (schep, schept, schepte, schepten, geschept)
    • in het leven roepen werkwoord (roep in het leven, roept in het leven, riep in het leven, riepen in het leven, in het leven geroepen)
  6. ganar (comprar; obtener; buscar; )
    kopen
    – het krijgen in ruil voor geld 1
    • kopen werkwoord (koop, koopt, kocht, kochten, gekocht)
      • ik koop een nieuwe jas1
    verkrijgen; verwerven; aanschaffen; aankopen
    • verkrijgen werkwoord (verkrijg, verkrijgt, verkreeg, verkregen, verkregen)
    • verwerven werkwoord (verwerf, verwerft, verwierf, verwierven, verworven)
    • aanschaffen werkwoord (schaf aan, schaft aan, schafte aan, schaften aan, aangeschaft)
    • aankopen werkwoord (koop aan, koopt aan, kocht aan, kochten aan, aangekocht)
  7. ganar (recoger; obtener; alcanzar)
    binnenhalen; binnenbrengen
    • binnenhalen werkwoord (haal binnen, haalt binnen, haalde binnen, haalden binnen, binnengehaald)
    • binnenbrengen werkwoord (breng binnen, brengt binnen, bracht binnen, brachten binnen, binnen gebracht)
  8. ganar (obtener; extraer)
    gewinnen
  9. ganar (mantener a la familia; merecer; ganar dinero)
  10. ganar (capturar; pescar; tomar en posesión; )
    buitmaken; vangen
    • buitmaken werkwoord (maak buit, maakt buit, maakte buit, maakten buit, buitgemaakt)
    • vangen werkwoord (vang, vangt, ving, vingen, gevangen)
  11. ganar (ganar dinero; merecer; mantener a la familia; hacerse acreedor a)
    kostwinnen
    • kostwinnen werkwoord (win kost, wint kost, won kost, wonnen kost, kostgewonnen)
  12. ganar (realizar; componer; reparar; )
    tot stand brengen; voor elkaar krijgen

Conjugations for ganar:

presente
  1. gano
  2. ganas
  3. gana
  4. ganamos
  5. ganáis
  6. ganan
imperfecto
  1. ganaba
  2. ganabas
  3. ganaba
  4. ganábamos
  5. ganabais
  6. ganaban
indefinido
  1. gané
  2. ganaste
  3. ganó
  4. ganamos
  5. ganasteis
  6. ganaron
fut. de ind.
  1. ganaré
  2. ganarás
  3. ganará
  4. ganaremos
  5. ganaréis
  6. ganarán
condic.
  1. ganaría
  2. ganarías
  3. ganaría
  4. ganaríamos
  5. ganaríais
  6. ganarían
pres. de subj.
  1. que gane
  2. que ganes
  3. que gane
  4. que ganemos
  5. que ganéis
  6. que ganen
imp. de subj.
  1. que ganara
  2. que ganaras
  3. que ganara
  4. que ganáramos
  5. que ganarais
  6. que ganaran
miscelánea
  1. ¡gana!
  2. ¡ganad!
  3. ¡no ganes!
  4. ¡no ganéis!
  5. ganado
  6. ganando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor ganar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
behalen conseguir
halen aprobación
kopen adquisición; compra
maken confección; elaboración; fabricación; producción
scheppen elaboración; fabricación; palas
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aankopen adquirir; aprobar; buscar; comprar; ganar; mercar; obtener
aanschaffen adquirir; aprobar; buscar; comprar; ganar; mercar; obtener adquirir; comprar
behalen alcanzar; ganar; obtener; triunfar
binnenbrengen alcanzar; ganar; obtener; recoger
binnenhalen alcanzar; ganar; obtener; recoger acoger; recibir
buitmaken apoderarse de; apresar; atrapar; capturar; engañar; ganar; pescar; tomar en posesión
de kost verdienen ganar; ganar dinero; mantener a la familia; merecer ganarse la vida
de overwinning behalen ganar; salir triunfante; salir victorioso; triunfar; vencer
gewinnen extraer; ganar; obtener
halen adquirir; aprobar; buscar; coger; ganar; obtener; tomar
in het leven roepen armar; compilar; componer; concebir; convertirse en; crear; desarrollar; diseñar; fabricar; formar; ganar; hacer; montar; producir; remendar; reparar; trazar
kopen adquirir; aprobar; buscar; comprar; ganar; mercar; obtener adquirir; adueñarse de; apoderarse de; apropiarse; captar; conseguir; obtener; recibir
kostwinnen ganar; ganar dinero; hacerse acreedor a; mantener a la familia; merecer
maken armar; compilar; componer; concebir; convertirse en; crear; desarrollar; diseñar; fabricar; formar; ganar; hacer; montar; producir; remendar; reparar; trazar amasar; arreglar; constituir; corregir; crear; dar forma; dar masajes; elaborar; fabricar; fijar; formar; hacer; macerar; masajear; modelar; modificar; producir; reajustar; remendar; reparar; restaurar
pakken adquirir; aprobar; buscar; coger; ganar; obtener; tomar agarrar; atrapar; coger; prender
scheppen armar; compilar; componer; concebir; convertirse en; crear; desarrollar; diseñar; fabricar; formar; ganar; hacer; montar; producir; remendar; reparar; trazar comer con cuchara; concebir; convertirse en; desarrollar; desarrollarse; desplegar
tot stand brengen componer; confeccionar; ganar; plasmar; realizar; remendar; reparar
vangen apoderarse de; apresar; atrapar; capturar; engañar; ganar; pescar; tomar en posesión agarrar; atrapar; coger; prender
verdienen ganar; ganar dinero; mantener a la familia; merecer
verkrijgen adquirir; alcanzar; aprobar; buscar; comprar; ganar; mercar; obtener; triunfar adquirir; adueñarse de; apoderarse de; apropiarse; captar; cobrar; comprar; conseguir; obtener; recibir
verwerven adquirir; aprobar; buscar; comprar; ganar; mercar; obtener adquirir; adueñarse de; alzar; apoderarse de; aprender; apropiarse; captar; cobrar; comenzar; conseguir; cursar; encender; estallar; estudiar; obtener; recibir; seguir estudios
voor elkaar krijgen componer; confeccionar; ganar; plasmar; realizar; remendar; reparar apañárselas; arreglarse; arreglárselas; conseguir; efectuar; ejecutar; hacérselas; ingeniárselas; lograr; manejárselas; realizar
winnen alcanzar; ganar; obtener; salir triunfante; salir victorioso; triunfar; vencer salir victorioso; triunfar; vencer
zegevieren ganar; salir triunfante; salir victorioso; triunfar; vencer

Synoniemen voor "ganar":


Wiktionary: ganar

ganar
verb
  1. verdienen
  2. geld verkrijgen door arbeid of een andere prestatie
  3. als beste partij uit een wedstrijd komen
  4. iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd
  5. iemand bereid vinden zich ergens voor in te zetten

Cross Translation:
FromToVia
ganar aankomen gain — put on weight
ganar bekomen; winnen; verkrijgen gain — acquire
ganar winnen; overwinnen win — transitive: achieve victory in
ganar winnen gewinnen — (transitiv) einen Wettkampf, einen Wettstreit, ein Streitgespräch oder Ähnliches zu seinem Vorteil und Nutzen entscheiden
ganar winnen gewinnen — (intransitiv)in einem Kampf, Wettstreit oder Ähnlichem als Sieger beziehungsweise Siegerin hervorgehen
ganar winnen gewinnen — (intransitiv) durch eigenen Aufwand, Einsatz, eigene Bemühung (und günstige Umstand) etwas erstrebenswert beziehungsweise wünschenswert erlangen
ganar buitmaken; behalen; verkrijgen; verwerven; aanbrengen; werven; aanwerven; verdienen; winnen gagner — Traductions à trier suivant le sens

Verwante vertalingen van ganado