Spaans

Uitgebreide vertaling voor invento (Spaans) in het Nederlands

invento:

invento [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el invento (descubrimiento; invención; hallazgo)
    de uitvinding; de vinding
    • uitvinding [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • vinding [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
  2. el invento (invención; descubrimiento; invenciones)
    de vinding; uitdenking; de vondst
    • vinding [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • uitdenking [znw.] zelfstandig naamwoord
    • vondst [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor invento:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
uitdenking descubrimiento; invenciones; invención; invento
uitvinding descubrimiento; hallazgo; invención; invento invención
vinding descubrimiento; hallazgo; invenciones; invención; invento descubrimiento; invención
vondst descubrimiento; invenciones; invención; invento descubrimiento; invención

Verwante woorden van "invento":

  • inventos

Wiktionary: invento

invento
noun
  1. de daad van het uitvinden, het ontdekken van een nieuwe methode of een nieuw toestel
  2. ontdekking, uitvinding

Cross Translation:
FromToVia
invento uitvinding Erfindung — besondere, nicht auf der Hand liegende, materielle Konstrukte oder Verfahren, die neue und nützliche Anwendungen ermöglichen
invento uitvinding; voorstelling; vinding; bedenksel; uitvindsel; verzinsel inventiondisposition de l’esprit à inventer.

inventar:

inventar werkwoord

  1. inventar (idear; imaginar; apretar; )
    bedenken; verzinnen; uitdenken; verdichten; fantaseren; voorwenden
    • bedenken werkwoord (bedenk, bedenkt, bedacht, bedachten, bedacht)
    • verzinnen werkwoord (verzin, verzint, verzon, verzonnen, verzonnen)
    • uitdenken werkwoord (denk uit, denkt uit, dacht uit, dachten uit, uitgedacht)
    • verdichten werkwoord (verdicht, verdichtte, verdichtten, verdicht)
    • fantaseren werkwoord (fantaseer, fantaseert, fantaseerde, fantaseerden, gefantaseerd)
    • voorwenden werkwoord (wend voor, wendt voor, wendde voor, wendden voor, voorgewend)
  2. inventar (descubrir; averiguar; detectar; enterarse)
    uitvinden
    • uitvinden werkwoord (vind uit, vindt uit, vond uit, vonden uit, uitgevonden)
  3. inventar (fingir; pretender; simular)
    huichelen
    • huichelen werkwoord (huichel, huichelt, huichelde, huichelden, gehuicheld)

Conjugations for inventar:

presente
  1. invento
  2. inventas
  3. inventa
  4. inventamos
  5. inventáis
  6. inventan
imperfecto
  1. inventaba
  2. inventabas
  3. inventaba
  4. inventábamos
  5. inventabais
  6. inventaban
indefinido
  1. inventé
  2. inventaste
  3. inventó
  4. inventamos
  5. inventasteis
  6. inventaron
fut. de ind.
  1. inventaré
  2. inventarás
  3. inventará
  4. inventaremos
  5. inventaréis
  6. inventarán
condic.
  1. inventaría
  2. inventarías
  3. inventaría
  4. inventaríamos
  5. inventaríais
  6. inventarían
pres. de subj.
  1. que invente
  2. que inventes
  3. que invente
  4. que inventemos
  5. que inventéis
  6. que inventen
imp. de subj.
  1. que inventara
  2. que inventaras
  3. que inventara
  4. que inventáramos
  5. que inventarais
  6. que inventaran
miscelánea
  1. ¡inventa!
  2. ¡inventad!
  3. ¡no inventes!
  4. ¡no inventéis!
  5. inventado
  6. inventando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

inventar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el inventar (fantasear)
    opdissen; fantaseren

Vertaal Matrix voor inventar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fantaseren fantasear; inventar
opdissen fantasear; inventar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bedenken apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear acordarse; agradar; considerar; contemplar; fantasear; idear; inventar un plan; meditar; pensar; recordar; reflexionar; reflexionar sobre; tramar; urdir
fantaseren apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear
huichelen fingir; inventar; pretender; simular
opdissen poner delante; servir; servir en la mesa; servir la comida
uitdenken apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear elaborar con ideas
uitvinden averiguar; descubrir; detectar; enterarse; inventar
verdichten apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear
verzinnen apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear inventar un plan; tramar; urdir
voorwenden apretar; compendiar; comprimir; concentrarse; condensarse; divagar; estrujar; fantasear; idear; imaginar; inventar; pensar; planear fingir; pretender

Synoniemen voor "inventar":


Wiktionary: inventar

inventar
Cross Translation:
FromToVia
inventar veinzen; inbeelden feign — to give a mental existence to something
inventar uitdenken; uitvinden invent — design a new process or mechanism
inventar uitvinden erfinden — (transitiv) eine technische Neuheit erdenken; eine Erfindung machen
inventar uitvinden inventertrouver quelque chose de nouveau, par la force de son esprit, de son imagination.