Spaans

Uitgebreide vertaling voor objeto (Spaans) in het Nederlands

objeto:

objeto [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el objeto (cosa; artículo; bien)
    het goed; het artikel; het voorwerp; het item; het ding; het object; de zaak
    • goed [het ~] zelfstandig naamwoord
    • artikel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • voorwerp [het ~] zelfstandig naamwoord
    • item [het ~] zelfstandig naamwoord
    • ding [het ~] zelfstandig naamwoord
    • object [het ~] zelfstandig naamwoord
    • zaak [de ~] zelfstandig naamwoord
  2. el objeto (plan; meta; objetivo; proyecto)
    de planning; de opzet; de plan
    • planning [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • opzet [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
    • plan [de ~] zelfstandig naamwoord
  3. el objeto (blanco)
    het doel; het doelwit; het mikpunt
    • doel [het ~] zelfstandig naamwoord
    • doelwit [het ~] zelfstandig naamwoord
    • mikpunt [het ~] zelfstandig naamwoord
  4. el objeto (intencion; plan; objetivo; )
    de intentie; het voornemen; de moedwil
    • intentie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • voornemen [het ~] zelfstandig naamwoord
    • moedwil [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord
  5. el objeto (blanco; meta; fin; objetivo; gol)
    doelschijf
  6. el objeto (intención; propósito; objetivo; )
    het oogmerk
    • oogmerk [het ~] zelfstandig naamwoord
  7. el objeto
    het object
    • object [het ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor objeto:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
artikel artículo; bien; cosa; objeto artículo; artículo de la ley; cláusula; estipulación; publicación
ding artículo; bien; cosa; objeto
doel blanco; objeto ambicionar; apuesta; apuntar a; aspirar a; dar forraje; destino; destino de viaje; destino final; empeñarse en; fin; gol; intencion; meta; objetivo; objetivo final; pretender; sentido; valor del objetivo
doelschijf blanco; fin; gol; meta; objetivo; objeto
doelwit blanco; objeto gol; portería
goed artículo; bien; cosa; objeto ropa; tejido; tela
intentie fin; gol; intencion; meta; objetivo; objeto; plan; proyecto ambicionar; apuntar a; aspirar a; dar forraje; empeñarse en; pretender
item artículo; bien; cosa; objeto artículo; elemento; elemento de Outlook
mikpunt blanco; objeto
moedwil fin; gol; intencion; meta; objetivo; objeto; plan; proyecto
object artículo; bien; cosa; objeto
oogmerk fin; gol; intención; meta; objetivo; objeto; plan; propósito; proyecto
opzet meta; objetivo; objeto; plan; proyecto designio; disposición; intención; propósito
plan meta; objetivo; objeto; plan; proyecto altura; cambio de acciones; cotización; designio; disposición; estándar; gradación; intención; llano; nivel; norma; piso; plan; propósito; proyecto
planning meta; objetivo; objeto; plan; proyecto programación
voornemen fin; gol; intencion; meta; objetivo; objeto; plan; proyecto designio; disposición; intención; propósito
voorwerp artículo; bien; cosa; objeto
zaak artículo; bien; cosa; objeto acuerdo; asunto; casa de comercio; casa mercantil; caso; comercio; cosa; cuestión; empresa; empresa comercial; mercancías; negocio; operación comercial; tienda; transacción
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
voornemen proponerse
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
goed acertado; bien; bueno; correcto; exactamente; exacto; justamente; justo
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
plan plan

Verwante woorden van "objeto":

  • objetos

Synoniemen voor "objeto":


Wiktionary: objeto

objeto
noun
  1. het gebied waarover het zich uitstrekt, bedoeling, betekenis, teneur.
  2. een object, iets dat fysiek bestaat

Cross Translation:
FromToVia
objeto object; voorwerp object — thing
objeto meewerkend voorwerp; lijdend voorwerp object — in grammar
objeto object object — in object-oriented programming
objeto reden; nut; zin purpose — reason for doing something
objeto voorwerp ObjektGegenstand, auf den sich jemand bezieht, auf den das Denken oder Handeln ausgerichtet ist
objeto ding; mikpunt; object; onderwerp; voorwerp objetchose tangible et visible, concrète. Chose perceptible par la vue et le toucher. Chose, dans un sens indéterminé.
objeto ding; voorwerp; waar; handelswaar; product; middel; werktuig; stuk gereedschap; instrument; inkomen; ontvangst; opbrengst; verdienste produitrésultat créatif de l’activité humaine.

objetar:

objetar werkwoord

  1. objetar (contradecir; protestar; negar; )
    protesteren; tegenspreken; tegenwerpen; weerspreken
    • protesteren werkwoord (protesteer, protesteert, protesteerde, protesteerden, geprotesteerd)
    • tegenspreken werkwoord (spreek tegen, spreekt tegen, sprak tegen, spraken tegen, tegengesproken)
    • tegenwerpen werkwoord (werp tegen, werpt tegen, wierp tegen, wierpen tegen, tegengeworpen)
    • weerspreken werkwoord (weerspreek, weerspreekt, weersprak, weerspraken, weersproken)

Conjugations for objetar:

presente
  1. objeto
  2. objetas
  3. objeta
  4. objetamos
  5. objetáis
  6. objetan
imperfecto
  1. objetaba
  2. objetabas
  3. objetaba
  4. objetábamos
  5. objetabais
  6. objetaban
indefinido
  1. objeté
  2. objetaste
  3. objetó
  4. objetamos
  5. objetasteis
  6. objetaron
fut. de ind.
  1. objetaré
  2. objetarás
  3. objetará
  4. objetaremos
  5. objetaréis
  6. objetarán
condic.
  1. objetaría
  2. objetarías
  3. objetaría
  4. objetaríamos
  5. objetaríais
  6. objetarían
pres. de subj.
  1. que objete
  2. que objetes
  3. que objete
  4. que objetemos
  5. que objetéis
  6. que objeten
imp. de subj.
  1. que objetara
  2. que objetaras
  3. que objetara
  4. que objetáramos
  5. que objetarais
  6. que objetaran
miscelánea
  1. ¡objeta!
  2. ¡objetad!
  3. ¡no objetes!
  4. ¡no objetéis!
  5. objetado
  6. objetando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor objetar:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
protesteren argumentar; argüir; contradecir; debatir; discutir; negar; objetar; protestar; rebatir; replicar defender; defenderse; ir en contra; mantener a distancia; refunfuñar; rezongar
tegenspreken argumentar; argüir; contradecir; debatir; discutir; negar; objetar; protestar; rebatir; replicar contradecir; desmentir; oponer
tegenwerpen argumentar; argüir; contradecir; debatir; discutir; negar; objetar; protestar; rebatir; replicar oponer
weerspreken argumentar; argüir; contradecir; debatir; discutir; negar; objetar; protestar; rebatir; replicar contradecir; desmentir

Synoniemen voor "objetar":


Wiktionary: objetar

objetar
verb
  1. aanvechten, tegenspreken
  2. (overgankelijk) iets als bezwaar opperen

Cross Translation:
FromToVia
objetar protesteren; ertegen zijn object — disagree with something or someone
objetar aanvechten; bestrijden; betwisten; tegenspreken contester — Mettre en discussion ce que quelqu’un revendique.
objetar aanvechten; bestrijden; betwisten; tegenspreken disputer — Être en discussion plus ou moins vif à propos d’opinions, d’intérêts.

Verwante vertalingen van objeto