Spaans

Uitgebreide vertaling voor averiguar (Spaans) in het Nederlands

averiguar:

averiguar werkwoord

  1. averiguar (verificar; comprobar)
    checken; verifiëren; natrekken; nagaan
    • checken werkwoord (check, checkt, checkte, checkten, gecheckt)
    • verifiëren werkwoord (verifiëer, verifiëert, verifiëerde, verifiëerden, geverifiëerd)
    • natrekken werkwoord (trek na, trekt na, trok na, trokken na, nagetrokken)
    • nagaan werkwoord (ga na, gaat na, ging na, gingen na, nagegaan)
  2. averiguar (cheqear; controlar; comprobar; calcular; analizar)
    controleren; nakijken; nagaan
    • controleren werkwoord (controleer, controleert, controleerde, controleerden, gecontroleerd)
    • nakijken werkwoord (kijk na, kijkt na, keek na, keken na, nagekeken)
    • nagaan werkwoord (ga na, gaat na, ging na, gingen na, nagegaan)
  3. averiguar (investigar; comprobar; controlar; rastrear)
    onderzoeken; naspeuren; nasporen
    • onderzoeken werkwoord (onderzoek, onderzoekt, onderzocht, onderzochten, onderzocht)
    • naspeuren werkwoord (speur na, speurt na, speurde na, speurden na, nagespeurd)
    • nasporen werkwoord (spoor na, spoort na, spoorde na, spoorden na, nagespoord)
  4. averiguar (investigar; desenredar; desmenuzar; )
    uitzoeken; ontwarren; uitpluizen; ontraadselen; uitrafelen; uitvezelen; ontrafelen
    • uitzoeken werkwoord (zoek uit, zoekt uit, zocht uit, zochten uit, uitgezocht)
    • ontwarren werkwoord (ontwar, ontwart, ontwarde, ontwarden, ontward)
    • uitpluizen werkwoord (pluis uit, pluist uit, ploos uit, plozen uit, uitgeplozen)
    • ontraadselen werkwoord (ontraadsel, ontraadselt, ontraadselde, ontraadselden, ontraadseld)
    • uitrafelen werkwoord (rafel uit, rafelt uit, rafelde uit, rafelden uit, uitgerafeld)
    • uitvezelen werkwoord (vezel uit, vezelt uit, vezelde uit, vezelden uit, uitgevezeld)
    • ontrafelen werkwoord (ontrafel, ontrafelt, ontrafelde, ontrafelden, ontrafeld)
  5. averiguar (informarse)
    informeren; navragen; navraag doen
    • informeren werkwoord (informeer, informeert, informeerde, informeerden, geïnformeerd)
    • navragen werkwoord (vraag na, vraagt na, vroeg na, vroegen na, nagevraagd)
    • navraag doen werkwoord
  6. averiguar
    navragen
    • navragen werkwoord (vraag na, vraagt na, vroeg na, vroegen na, nagevraagd)
  7. averiguar (inventar; descubrir; detectar; enterarse)
    uitvinden
    • uitvinden werkwoord (vind uit, vindt uit, vond uit, vonden uit, uitgevonden)
  8. averiguar (investigar; comprobar; descubrir; )
  9. averiguar (informarse; preguntar)
    inwinnen; trachten te krijgen

Conjugations for averiguar:

presente
  1. averiguo
  2. averiguas
  3. averigua
  4. averiguamos
  5. averiguáis
  6. averiguan
imperfecto
  1. averiguaba
  2. averiguabas
  3. averiguaba
  4. averiguábamos
  5. averiguabais
  6. averiguaban
indefinido
  1. averigüé
  2. averiguaste
  3. averiguó
  4. averiguamos
  5. averiguasteis
  6. averiguaron
fut. de ind.
  1. averiguaré
  2. averiguarás
  3. averiguará
  4. averiguaremos
  5. averiguaréis
  6. averiguarán
condic.
  1. averiguaría
  2. averiguarías
  3. averiguaría
  4. averiguaríamos
  5. averiguaríais
  6. averiguarían
pres. de subj.
  1. que averigüe
  2. que averigües
  3. que averigüe
  4. que averigüemos
  5. que averigüéis
  6. que averigüen
imp. de subj.
  1. que averiguara
  2. que averiguaras
  3. que averiguara
  4. que averiguáramos
  5. que averiguarais
  6. que averiguaran
miscelánea
  1. ¡averigua!
  2. ¡averiguad!
  3. ¡no averigües!
  4. ¡no averigüeis!
  5. averiguado
  6. averiguando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor averiguar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
controleren auditoría; controlar; sondeo
informeren aviso; circular; información; notificación
inwinnen pedir
uitzoeken seleccionar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
checken averiguar; comprobar; verificar
controleren analizar; averiguar; calcular; cheqear; comprobar; controlar auditar; auditoría; comprobar; contestar; controlar; examinar; grabar; inspeccionar; pasar revista a; prosperar; reconocer; revisar; rodar; tomar; verificar
doorvorsen analizar; averiguar; columbrar; comprobar; controlar; descubrir; divisar; escudriñar; examinar; explorar; explorar a fondo; indagar; investigar; rastrear; reconocer; seguir el rastro de; verificar; vislumbrar
informeren averiguar; informarse advertir; alarmar; anunciar; atemorizar; avisar; comentar sobre; comunicar; dar a conocer; dar informes; dar informes sobre; decir; declarar; hablar; hacer saber; informar; informar acerca de; informar de; mencionar; notificar; parlar; poner algo en conocimiento; poner en conocimiento; rendir informe; reportar; reportear
inwinnen averiguar; informarse; preguntar
nagaan analizar; averiguar; calcular; cheqear; comprobar; controlar; verificar comprobar
nakijken analizar; averiguar; calcular; cheqear; comprobar; controlar mirar hacia atrás; volver la cabeza; volver la mirada; volver la vista; volver la vista atrás
naspeuren averiguar; comprobar; controlar; investigar; rastrear investigar
nasporen averiguar; comprobar; controlar; investigar; rastrear investigar
natrekken averiguar; comprobar; verificar
navraag doen averiguar; informarse
navragen averiguar; informarse sondeo
onderzoeken averiguar; comprobar; controlar; investigar; rastrear aquilatar; buscar; catar; comprobar; controlar; corregir; ensayar; examinar; explorar; explorar a fondo; inspeccionar; investigar; mirar; pasar revista a; probar; reconocer; repasar; someter a prueba; verificar
ontraadselen averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver descifrar; desembrollar; desenmarañar; desenredar; desleír; disolver; disolverse; resolver; solucionar
ontrafelen averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver descifrar; desembrollar; desenmarañar; desenredar; deshilachar; deshilar; desleír; desmontar; disolver; disolverse; resolver; solucionar
ontwarren averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver decodificar; descifrar; desembrollar; desenmarañar; desenredar; deshilachar; deshilar; desleír; desmontar; disolver; disolverse; resolver; sacar en claro; solucionar
trachten te krijgen averiguar; informarse; preguntar
uitpluizen averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver
uitrafelen averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver deshilachar; deshilacharse
uitvezelen averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver
uitvinden averiguar; descubrir; detectar; enterarse; inventar
uitzoeken averiguar; descifrar; desenredar; deshacer; deshilachar; deshilar; desmenuzar; destejer; investigar; resolver clasificar; ordenar; seleccionar; sortear
verifiëren averiguar; comprobar; verificar

Synoniemen voor "averiguar":


Wiktionary: averiguar

averiguar
verb
  1. corrigeren van een geschreven tekst of huiswerk
  2. nauwkeurig onderzoeken

Cross Translation:
FromToVia
averiguar vaststellen; constateren ascertain — find out; discover or establish
averiguar graven drill — to investigate closer
averiguar uitvinden; onderzoeken; ontdekken find out — to discover
averiguar nasporen; doorgronden; naspeuren ergründen — (transitiv) etwas bis ins Letzte klären; den Grund oder die Ursache für etwas versuchen herauszubekommen