Spaans

Uitgebreide vertaling voor detener (Spaans) in het Nederlands

detener:

detener werkwoord

  1. detener (atrapar; comprender; coger; )
    snappen; betrappen
    • snappen werkwoord (snap, snapt, snapte, snapten, gesnapt)
    • betrappen werkwoord (betrap, betrapt, betrapte, betrapten, betrapt)
  2. detener (aprehender; arrestar; coger preso; aprisionar; coger prisionero)
    aanhouden; arresteren; gevangennemen; oppakken; inrekenen
    • aanhouden werkwoord (houd aan, houdt aan, hield aan, hielden aan, aangehouden)
    • arresteren werkwoord (arresteer, arresteert, arresteerde, arresteerden, gearresteerd)
    • gevangennemen werkwoord
    • oppakken werkwoord (pak op, pakt op, pakte op, pakten op, opgepakt)
    • inrekenen werkwoord (reken in, rekent in, rekende in, rekenden in, ingerekend)
  3. detener (parar; cesar; poner freno a; pararse)
    ophouden; stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stopzetten werkwoord (zet stop, zette stop, zetten stop, stopgezet)
    • remmen werkwoord (rem, remt, remde, remden, geremd)
    • tegenhouden werkwoord (houd tegen, houdt tegen, hield tegen, hielden tegen, tegengehouden)
    • halt houden werkwoord (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
    • tot staan brengen werkwoord (breng tot staan, brengt tot staan, bracht tot staan, brachten tot staan, tot staan gebracht)
  4. detener (tener agarrado; atar; tener detenido; )
    vasthouden; gevangenhouden; detineren; in hechtenis houden
  5. detener (encarcelar)
    opsluiten; isoleren; interneren; gevangen zetten
    • opsluiten werkwoord (sluit op, sloot op, sloten op, opgesloten)
    • isoleren werkwoord (isoleer, isoleert, isoleerde, isoleerden, geïsoleerd)
    • interneren werkwoord (interneer, interneert, interneerde, interneerden, geïnterneerd)
    • gevangen zetten werkwoord (zet gevangen, zette gevangen, zetten gevangen, gevangen gezet)
  6. detener (encarcelar)
    opsluiten; vastzetten; in de cel zetten
  7. detener (dejar; sostener; cesar; levantar; hacer respetar)
    ophouden; in de hoogte houden; hooghouden; omhooghouden
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • hooghouden werkwoord (houd hoog, houdt hoog, hield hoog, hielden hoog, hooggehouden)
    • omhooghouden werkwoord (houd omhoog, houdt omhoog, hield omhoog, hielden omhoog, omhooggehouden)
  8. detener (retener; impedir)
    weerhouden; beletten; ervanaf houden; afhouden
    • weerhouden werkwoord (weerhoud, weerhoudt, weerhield, weerhielden, weerhouden)
    • beletten werkwoord (belet, belette, beletten, belet)
    • ervanaf houden werkwoord
    • afhouden werkwoord (houd af, houdt af, hield af, hielden af, afgehouden)
  9. detener
    stoppen
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
  10. detener

Conjugations for detener:

presente
  1. detengo
  2. detienes
  3. detiene
  4. detenemos
  5. detenéis
  6. detienen
imperfecto
  1. detenía
  2. detenías
  3. detenía
  4. deteníamos
  5. deteníais
  6. detenían
indefinido
  1. detuve
  2. detuviste
  3. detuvo
  4. detuvimos
  5. detuvisteis
  6. detuvieron
fut. de ind.
  1. detendré
  2. detendrás
  3. detendrá
  4. detendremos
  5. detendréis
  6. detendrán
condic.
  1. detendría
  2. detendrías
  3. detendría
  4. detendríamos
  5. detendríais
  6. detendrían
pres. de subj.
  1. que detenga
  2. que detengas
  3. que detenga
  4. que detengamos
  5. que detengáis
  6. que detengan
imp. de subj.
  1. que detuviera
  2. que detuvieras
  3. que detuviera
  4. que detuviéramos
  5. que detuvierais
  6. que detuvieran
miscelánea
  1. ¡deten!
  2. ¡detened!
  3. ¡no detengas!
  4. ¡no detengáis!
  5. detenido
  6. deteniendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

detener [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el detener
    arresteren; het grijpen

Vertaal Matrix voor detener:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanhouden perseverancia; persistencia; tenacidad
afhouden impedir
arresteren detener
beletten impedir
gevangen zetten confinamiento; encarcelamiento; encierro; privación de libertad; reclusión
grijpen detener
ophouden conclusión; finalización
snappen coger; comprender
stoppen obturar; parada; tapar
vasthouden aferrarse a; retener
vastzetten encarcelar; fijar; inmovilizar
weerhouden impedir
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanhouden aprehender; aprisionar; arrestar; coger preso; coger prisionero; detener apresar; aprisionar; arrestar; cautivar; coger preso; continuar; durar; encarcelar; encerrar; imponer; imponerse; insistir; instar; perdurar; seguir
afhouden detener; impedir; retener apartar de; deducir; evitar; implicar; mantener a distancia; mantener apartado; prevenir
arresteren aprehender; aprisionar; arrestar; coger preso; coger prisionero; detener apresar; aprisionar; arrestar; cautivar; coger preso; encarcelar; encerrar
beletten detener; impedir; retener bloquear; impedir; levantar barricadas en; obstaculizar
betrappen atrapar; cautivar; cazar; coger; coger preso; coger prisionero; comprender; depositar; detener; detengo; encadenar; encarcelar; engastar; entender; fascinar; fijar; inmovilizar; montar; pillar; poner las esposas; prender; recoger; sorprender; tomar; trabar
detineren adentrar; atar; calzar; detener; internar; tener agarrado; tener detenido
ervanaf houden detener; impedir; retener
gevangen zetten detener; encarcelar
gevangenhouden adentrar; atar; calzar; detener; internar; tener agarrado; tener detenido
gevangennemen aprehender; aprisionar; arrestar; coger preso; coger prisionero; detener apresar; aprisionar; arrestar; cautivar; coger preso; encarcelar; encerrar
grijpen abordar; agarrar; agarrarse a; atacar; atrapar; birlar; captar; cerrar de golpe; coger; engastar; engañar; estafar; mangar; prender; servirse; servirse a sí mismo; timar; trabar
halt houden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a detenerse; estreñir; llenar con masilla; ocultar; pararse; taponar; zurcir
hooghouden cesar; dejar; detener; hacer respetar; levantar; sostener
in de cel zetten detener; encarcelar
in de hoogte houden cesar; dejar; detener; hacer respetar; levantar; sostener
in hechtenis houden adentrar; atar; calzar; detener; internar; tener agarrado; tener detenido
inrekenen aprehender; aprisionar; arrestar; coger preso; coger prisionero; detener apresar; aprisionar; arrestar; cautivar; coger preso; encarcelar; encerrar
interneren detener; encarcelar
isoleren detener; encarcelar aislar; alejar de; apartar; bifurcarse; escindir; guardar; hacer enfriar por largo tiempo; incomunicar; inhibirse; isolar; poner aparte; separar
omhooghouden cesar; dejar; detener; hacer respetar; levantar; sostener
ophouden cesar; dejar; detener; hacer respetar; levantar; parar; pararse; poner freno a; sostener abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; aminorar; anudarse; completar; concluir; cortarse; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; demorar; demorarse; desemprender; desenganchar; desentenderse; desistir de; desprenderse; desvincular; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; ganar tiempo; llegar; llegar al fin; no ponerse; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; realizar; renunciar a; retardar; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; terminar; ultimar; vencer
oppakken aprehender; aprisionar; arrestar; coger preso; coger prisionero; detener apresar; aprisionar; arrestar; cautivar; coger preso; encarcelar; encerrar; recoger; recoger del suelo
opsluiten detener; encarcelar asegurar; encarcelar; encerrar; meter entre barrotes; meter entre rejas
parkeerstand inschakelen detener
remmen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a frenar; refrenar
snappen atrapar; cautivar; cazar; coger; coger preso; coger prisionero; comprender; depositar; detener; detengo; encadenar; encarcelar; engastar; entender; fascinar; fijar; inmovilizar; montar; pillar; poner las esposas; prender; recoger; sorprender; tomar; trabar captar; coger en flagrante; comprender; concebir; darse cuenta de; entender
stoppen detener abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; apagar; cerrar; cerrar herméticamente; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; desconectar; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; enmasillar; estar inmóvil; estreñir; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; frenar; llegar; llegar al fin; llenar con masilla; no seguir; ocultar; parar; pararse; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; quedarse en su lugar; quedarse quieto; realizar; renunciar a; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; tapar; tapar huecos; taponar; terminar; ultimar; vencer; zurcir
stopzetten cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tegenhouden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tot staan brengen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
vasthouden adentrar; atar; calzar; detener; internar; tener agarrado; tener detenido guardar; mantener; sujetar
vastzetten detener; encarcelar asegurar; colocar; encarcelar; encerrar; fijar; imponer en una cuenta de ahorros; inmovilizar; montar; sujetar
weerhouden detener; impedir; retener

Synoniemen voor "detener":


Wiktionary: detener

detener
verb
  1. arresteren
  2. doen halthouden
  3. iets of iemand stoppen

Cross Translation:
FromToVia
detener aanhouden; arresteren; in hechtenis nemen; oppakken; vatten arrest — to take into legal custody
detener detineren detain — put under custody
detener onderbreken; stoppen; afbreken escape — to halt a program by pressing a combination of keys
detener vasthouden hold — to detain