Spaans

Uitgebreide vertaling voor enlazar (Spaans) in het Nederlands

enlazar:

enlazar werkwoord

  1. enlazar (concernir; entablar)
    aangaan; aanknopen
    • aangaan werkwoord (ga aan, gaat aan, ging aan, gingen aan, aangegaan)
    • aanknopen werkwoord (knoop aan, knoopt aan, knoopte aan, knoopten aan, aangeknoopt)
  2. enlazar (entrelazar)
    verweven; vervlechten; ineenvlechten
    • verweven werkwoord (verweef, verweeft, verweefde, verweefden, verweven)
    • vervlechten werkwoord (vervlecht, vervlocht, vervlochten, vervlochten)
    • ineenvlechten werkwoord (vlecht ineen, vlocht ineen, vlochten ineen, ineengevlochten)
  3. enlazar (atar)
    dichtrijgen; rijgen; dichtsnoeren
    • dichtrijgen werkwoord (rijg dicht, rijgt dicht, reeg dicht, regen dicht, dichtgeregen)
    • rijgen werkwoord (rijg, rijgt, reeg, regen, geregen)
    • dichtsnoeren werkwoord
  4. enlazar
    samenweven
    • samenweven werkwoord (weef samen, weeft samen, weefde samen, weefden samen, samengeweven)
  5. enlazar
    omvlechten
    • omvlechten werkwoord (omvlecht, omvlocht, omvlochten, omvlochten)
  6. enlazar
    verbinden
    • verbinden werkwoord (verbind, verbindt, verbond, verbonden, verbonden)
  7. enlazar (enganchar en; agarrar)
    inhaken
    • inhaken werkwoord (haak in, haakt in, haakte in, haakten in, ingehaakt)
  8. enlazar (hilvanar; embastar; atar; )
    toesnoeren
    • toesnoeren werkwoord (snoer toe, snoert toe, snoerde toe, snoerden toe, toegesnoerd)

Conjugations for enlazar:

presente
  1. enlazo
  2. enlazas
  3. enlaza
  4. enlazamos
  5. enlazáis
  6. enlazan
imperfecto
  1. enlazaba
  2. enlazabas
  3. enlazaba
  4. enlazábamos
  5. enlazabais
  6. enlazaban
indefinido
  1. enlacé
  2. enlazaste
  3. enlazó
  4. enlazamos
  5. enlazasteis
  6. enlazaron
fut. de ind.
  1. enlazaré
  2. enlazarás
  3. enlazará
  4. enlazaremos
  5. enlazaréis
  6. enlazarán
condic.
  1. enlazaría
  2. enlazarías
  3. enlazaría
  4. enlazaríamos
  5. enlazaríais
  6. enlazarían
pres. de subj.
  1. que enlace
  2. que enlaces
  3. que enlace
  4. que enlacemos
  5. que enlacéis
  6. que enlacen
imp. de subj.
  1. que enlazara
  2. que enlazaras
  3. que enlazara
  4. que enlazáramos
  5. que enlazarais
  6. que enlazaran
miscelánea
  1. ¡enlaza!
  2. ¡enlazad!
  3. ¡no enlaces!
  4. ¡no enlacéis!
  5. enlazado
  6. enlazando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor enlazar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangaan interés
aanknopen anudar; atar
dichtsnoeren abrochado
verbinden juntar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aangaan concernir; enlazar; entablar afectar; atañer; comenzar; concenir; concernir; empezar; emprender; iniciar; referirse a; tocar; tocar a
aanknopen concernir; enlazar; entablar abordar; abrir; aumentar; calzar; colocar; comenzar; empezar; inaugurar; iniciar; instalar; lanzar; marcharse; montar; poner en marcha; trabar conversación
dichtrijgen atar; enlazar
dichtsnoeren atar; enlazar cerrar con hebilla
ineenvlechten enlazar; entrelazar enredarse
inhaken agarrar; enganchar en; enlazar
omvlechten enlazar
rijgen atar; enlazar encadenar; ensartar
samenweven enlazar
toesnoeren atar; embastar; enlazar; ensartar; escuadrar; hilvanar; pasar por un hilo
verbinden enlazar abotonar; abrochar; acoplar; atar; colocar; combinar; conectar; conectar(se); encadenar; encordar; fijar; juntar; sujetar; unir
vervlechten enlazar; entrelazar
verweven enlazar; entrelazar entretejer

Synoniemen voor "enlazar":