Spaans

Uitgebreide vertaling voor manchar (Spaans) in het Nederlands

manchar:

manchar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el manchar
    de vlekken
    • vlekken [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

manchar werkwoord

  1. manchar
    vlekken; afgeven; smetten; bevlekken
    • vlekken werkwoord (vlek, vlekt, vlekte, vlekten, gevlekt)
    • afgeven werkwoord (geef af, geeft af, gaf af, gaven af, afgegeven)
    • smetten werkwoord (smet, smette, smetten, gesmet)
    • bevlekken werkwoord (bevlek, bevlekt, bevlekte, bevlekten, bevlekt)
  2. manchar (ensuciar)
    vuilmaken; viesmaken
    • vuilmaken werkwoord (maak vuil, maakt vuil, maakte vuil, maakten vuil, vuil gemaakt)
    • viesmaken werkwoord
  3. manchar (ensuciar)
    bedoezelen
    • bedoezelen werkwoord (bedoezel, bedoezelt, bedoezelde, bedoezelden, bedoezeld)
  4. manchar (ensuciar)
    bevuilen; vies maken; vuil maken
    • bevuilen werkwoord (bevuil, bevuilt, bevuilde, bevuilden, bevuild)
    • vies maken werkwoord (maak vies, maakt vies, maakte vies, maakten vies, vies gemaakt)
    • vuil maken werkwoord
  5. manchar (ensuciar)
    bezoedelen; bevlekken
    • bezoedelen werkwoord (bezoedel, bezoedelt, bezoedelde, bezoedelden, bezoedeld)
    • bevlekken werkwoord (bevlek, bevlekt, bevlekte, bevlekten, bevlekt)
  6. manchar (gotear; caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir)
    druipen; druppels laten vallen; druppen; droppen; druppelen
    • druipen werkwoord (druip, druipt, droop, dropen, gedropen)
    • druppen werkwoord (drup, drupt, drupte, drupten, gedrupt)
    • droppen werkwoord (drop, dropt, dropte, dropten, gedropt)
    • druppelen werkwoord (druppel, druppelt, druppelde, druppelden, gedruppeld)
  7. manchar (emborronar; ensuciar; embadurnar; pintarrajear)
    bevuilen; besmeren; bekladden; bevlekken; bemorsen
    • bevuilen werkwoord (bevuil, bevuilt, bevuilde, bevuilden, bevuild)
    • besmeren werkwoord (besmeer, besmeert, besmeerde, besmeerden, besmeerd)
    • bekladden werkwoord (beklad, bekladt, bekladde, bekladden, beklad)
    • bevlekken werkwoord (bevlek, bevlekt, bevlekte, bevlekten, bevlekt)
    • bemorsen werkwoord (bemors, bemorst, bemorste, bemorsten, bemorst)
  8. manchar (embadurnar; ensuciar; pintorrear; ensuciarlo todo)
    klodderen; kliederen; kladderen
    • klodderen werkwoord (klodder, kloddert, klodderde, klodderden, geklodderd)
    • kliederen werkwoord (klieder, kliedert, kliederde, kliederden, gekliederd)
    • kladderen werkwoord (kladder, kladdert, kladderde, kladderden, gekladderd)
  9. manchar (contaminar; ensuciar; impurificar)
    vervuilen; verontreinigen
    • vervuilen werkwoord (vervuil, vervuilt, vervuilde, vervuilden, vervuild)
    • verontreinigen werkwoord (verontreinig, verontreinigt, verontreinigde, verontreinigden, verontreinigd)

Conjugations for manchar:

presente
  1. mancho
  2. manchas
  3. mancha
  4. manchamos
  5. mancháis
  6. manchan
imperfecto
  1. manchaba
  2. manchabas
  3. manchaba
  4. manchábamos
  5. manchabais
  6. manchaban
indefinido
  1. manché
  2. manchaste
  3. manchó
  4. manchamos
  5. manchasteis
  6. mancharon
fut. de ind.
  1. mancharé
  2. mancharás
  3. manchará
  4. mancharemos
  5. mancharéis
  6. mancharán
condic.
  1. mancharía
  2. mancharías
  3. mancharía
  4. mancharíamos
  5. mancharíais
  6. mancharían
pres. de subj.
  1. que manche
  2. que manches
  3. que manche
  4. que manchemos
  5. que manchéis
  6. que manchen
imp. de subj.
  1. que manchara
  2. que mancharas
  3. que manchara
  4. que mancháramos
  5. que mancharais
  6. que mancharan
miscelánea
  1. ¡mancha!
  2. ¡manchad!
  3. ¡no manches!
  4. ¡no manchéis!
  5. manchado
  6. manchando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor manchar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afgeven despachar; distribución; entrega
droppen gotas
kliederen chapucería
vlekken manchar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afgeven manchar acceder; acompañar; ceder; consentir; dar; entregar; entregar a; entregar a domicilio; hacer entrega; llevar; mandar; ofrecer; presentar; proporcionar; reconocer; suministrar; traer; transmitir; traspasar
bedoezelen ensuciar; manchar
bekladden embadurnar; emborronar; ensuciar; manchar; pintarrajear
bemorsen embadurnar; emborronar; ensuciar; manchar; pintarrajear
besmeren embadurnar; emborronar; ensuciar; manchar; pintarrajear
bevlekken embadurnar; emborronar; ensuciar; manchar; pintarrajear mancillar
bevuilen embadurnar; emborronar; ensuciar; manchar; pintarrajear
bezoedelen ensuciar; manchar causar perjuicio; dañar; deteriorar; lastimar; perjudicar
droppen caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar chorrear; correr; dejar; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter
druipen caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter
druppelen caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter
druppels laten vallen caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter
druppen caer gota a gota; chorrear; cundir; escurrir; gotear; manchar chorrear; correr; divulgarse; filtrar; gota a gota; gotear; salirse; verter
kladderen embadurnar; ensuciar; ensuciarlo todo; manchar; pintorrear
kliederen embadurnar; ensuciar; ensuciarlo todo; manchar; pintorrear
klodderen embadurnar; ensuciar; ensuciarlo todo; manchar; pintorrear
smetten manchar
verontreinigen contaminar; ensuciar; impurificar; manchar
vervuilen contaminar; ensuciar; impurificar; manchar
vies maken ensuciar; manchar
viesmaken ensuciar; manchar
vlekken manchar chapucear; ensuciar; ensuciarse; hacer mal
vuil maken ensuciar; manchar
vuilmaken ensuciar; manchar

Synoniemen voor "manchar":


Wiktionary: manchar

manchar
verb
  1. insmeren met iets om vies te maken
  2. blootstellen aan vuil
  3. vuil maken
  4. van luister of aanzien beroven

Cross Translation:
FromToVia
manchar besmeren; kladschilderen; kliederen daub — to apply something in hasty or crude strokes
manchar smeren; uitsmeren smear — to spread (a substance)
manchar lasteren smear — to damage someone's reputation by slandering, making false accusations