Overzicht
Spaans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. para:
  2. parar:
  3. parir:
  4. pararse:
  5. par:
  6. Wiktionary:
  7. Gebruikers suggesties voor para:
    • om te


Spaans

Uitgebreide vertaling voor para (Spaans) in het Nederlands

para:

para bijvoeglijk naamwoord

  1. para (delante; por; antes; )
    voor; daarvoor; ervoor
  2. para (hacia; a)
    naar; naar toe; toe
  3. para (a)
    ertoe

Vertaal Matrix voor para:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
naar a; hacia; para abominable; afligido; apenado; calamitoso; como; deprimente; desagradable; desgraciado; desolado; desolador; disgustoso; enojadizo; hacia; horrible; incómodo; indeseable; infame; lamentable; lastimoso; lóbrego; mal; malo; mareado; mientras que; molesto; penoso; puesto que; repugnante; sombrear; sombrío; tétrico
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
daarvoor a eso; a favor de; a la cabeza; al comienzo; al efecto; al frente; al principio; antes; antes de eso; delante; en la parte de delante; en la parte delantera; enfrente; frente a; para; para ello; para eso; por
ertoe a; para
ervoor a eso; a favor de; a la cabeza; al comienzo; al efecto; al frente; al principio; antes; antes de eso; delante; en la parte de delante; en la parte delantera; enfrente; frente a; para; para ello; para eso; por
toe a; hacia; para además; ancho; anda ya; cercano; cerrado; cerrado con llave; corpulento; denso; encima; espeso; estancado; gordo; grueso; hinchado; vaya; venga
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
naar toe a; hacia; para
voor a eso; a favor de; a la cabeza; al comienzo; al efecto; al frente; al principio; antes; antes de eso; delante; en la parte de delante; en la parte delantera; enfrente; frente a; para; para ello; para eso; por antes de; delante de; por

Verwante woorden van "para":


Wiktionary: para


Cross Translation:
FromToVia
para tegen by — some time before the given time
para infantiel; kinderachtig childish — suitable for a child
para voor for — directed at, intended to belong to
para ten einde; om in order to — as a means of achieving the specified aim
para voor to — time: preceding
para voor fürmit Akkusativ: etwas oder jemand ist an etwas jemanden gerichtet, bestimmt, zugeordnet
para voor pour — Au motif de, dans le but de, afin de, à destination de

para vorm van parar:

parar werkwoord

  1. parar (abandonar; terminar; suspender; )
    ophouden; stoppen; ermee uitscheiden; opgeven; staken; uitscheiden
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • ermee uitscheiden werkwoord
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • staken werkwoord (staak, staakt, staakte, staakten, gestaakt)
    • uitscheiden werkwoord (scheid uit, scheidt uit, scheidde uit, scheidden uit, uitgescheiden)
  2. parar (efectuar; terminar; finalizar; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen werkwoord (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten werkwoord (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen werkwoord (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan werkwoord (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  3. parar (detener; cesar; poner freno a; pararse)
    ophouden; stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stopzetten werkwoord (zet stop, zette stop, zetten stop, stopgezet)
    • remmen werkwoord (rem, remt, remde, remden, geremd)
    • tegenhouden werkwoord (houd tegen, houdt tegen, hield tegen, hielden tegen, tegengehouden)
    • halt houden werkwoord (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
    • tot staan brengen werkwoord (breng tot staan, brengt tot staan, bracht tot staan, brachten tot staan, tot staan gebracht)
  4. parar (contrariar; hacer la contra; obstaculizar; )
    tegenwerken; dwarsbomen; dwarsliggen
    • tegenwerken werkwoord (werk tegen, werkt tegen, werkte tegen, werkten tegen, tegengewerkt)
    • dwarsbomen werkwoord (dwarsboom, dwarsboomt, dwarsboomde, dwarsboomden, gedwarsboomd)
    • dwarsliggen werkwoord (lig dwars, ligt dwars, lag dwars, lagen dwars, dwarsgelegen)
  5. parar (apagar; desconectar)
    stoppen; afzetten; stilzetten; tot stilstand brengen
  6. parar (apartar; volver; distraer; volverse)
    afwentelen; afwenden
    • afwentelen werkwoord (wentel af, wentelt af, wentelde af, wentelden af, afgewenteld)
    • afwenden werkwoord (wend af, wendt af, wendde af, wendden af, afgewend)
  7. parar (mantener apartado; rechazar; no admitir; mantener a distancia)
    weghouden
    • weghouden werkwoord (houd weg, houdt weg, hield weg, hielden weg, weggehouden)
  8. parar (desentenderse; dejar; dejar de; )
    opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    • opgeven werkwoord (geef op, geeft op, gaf op, gaven op, opgegeven)
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • afhaken werkwoord (haak af, haakt af, haakte af, haakten af, afgehaakt)
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • afzien van werkwoord
    • afvallen werkwoord (val af, valt af, viel af, vielen af, afgevallen)
    • eruitstappen werkwoord
    • afzeggen werkwoord (zeg af, zegt af, zei af, zeiden af, afgezegd)
  9. parar
  10. parar (desviar)
    pareren; afweren; weren
    • pareren werkwoord (pareer, pareert, pareerde, pareerden, gepareerd)
    • afweren werkwoord (weer af, weert af, weerde af, weerden af, afgeweerd)
    • weren werkwoord (weer, weert, weerde, weerden, geweerd)
  11. parar (abandonar; terminar; hacer huelga; ponerse en huelga)
    spieken; afkijken
    • spieken werkwoord (spiek, spiekt, spiekte, spiekten, gespiekt)
    • afkijken werkwoord (kijk af, kijkt af, keek af, keken af, afgekeken)
  12. parar (estar; detenerse; estar parado)

Conjugations for parar:

presente
  1. paro
  2. paras
  3. para
  4. paramos
  5. paráis
  6. paran
imperfecto
  1. paraba
  2. parabas
  3. paraba
  4. parábamos
  5. parabais
  6. paraban
indefinido
  1. paré
  2. paraste
  3. paró
  4. paramos
  5. parasteis
  6. pararon
fut. de ind.
  1. pararé
  2. pararás
  3. parará
  4. pararemos
  5. pararéis
  6. pararán
condic.
  1. pararía
  2. pararías
  3. pararía
  4. pararíamos
  5. pararíais
  6. pararían
pres. de subj.
  1. que pare
  2. que pares
  3. que pare
  4. que paremos
  5. que paréis
  6. que paren
imp. de subj.
  1. que parara
  2. que pararas
  3. que parara
  4. que paráramos
  5. que pararais
  6. que pararan
miscelánea
  1. ¡para!
  2. ¡parad!
  3. ¡no pares!
  4. ¡no paréis!
  5. parado
  6. parando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

parar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el parar
    het verblijven

Vertaal Matrix voor parar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afhaken conclusión; desacoplar; desenganchar; desvincular; finalización; separar
afkijken copiar; usar chuletas
afsluiten apagado; cerrar la tienda
afvallen adelgazar; enflaquecer
afwenden apartar; evitar
afwentelen apartando; desviando
afweren defender; defenderse
afzeggen anulación; cancelación; darse de baja
afzetten amputar; extirpar; quitar
afzien van dejar
beëindigen abolición; cancelación; cierre; liquidación
eindigen conclusión; finalización
opgeven solicitar
ophouden conclusión; finalización
spieken copiar; usar chuletas
staken boicot; cesación; conclusión; finalización; huelga; huelga laboral; interrupción laboral; suspensión
stoppen obturar; parada; tapar
uitscheiden conclusión; finalización
verblijven parar
weren defender; defenderse
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afhaken abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; parar; quedar eliminado; retirarse; salir; salir de; soltar
afkijken abandonar; hacer huelga; parar; ponerse en huelga; terminar
afsluiten acabar; acabar con una; acabar de; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; detenerse; efectuar; encontrarse en la recta final; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; realizar; terminar; ultimar; vencer apagar; atacar; bloquear; celebrar; cerrar; cerrar con llave; cerrar de golpe; cerrarse; concertar; concluir; cortar; cuadrar; desconectar; echar el cerrojo a; echar llave; finalizar; guardar; importar; pasar; poner bajo llave; salir; suceder; terminar
afvallen abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; parar; quedar eliminado; retirarse; salir; salir de; soltar adelgazar; decepcionar; desilusionar; frustrar; perder peso
afwenden apartar; distraer; parar; volver; volverse apartar; apartarse; desviar; volver la espalda
afwentelen apartar; distraer; parar; volver; volverse
afweren desviar; parar defender
afzeggen abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; parar; quedar eliminado; retirarse; salir; salir de; soltar anular; cancelar; declarar nulo; desdar; deshacer; escamar; revertir; revocar; suspender; tachar
afzetten apagar; desconectar; parar abrir; acorralar; acotar; agrandarse; alzar; amanecer; amañar; amover; amputar; apagar; apear; apoyarse en; atrabancar; bordear; camelar; cercar; cerrar; chafallar; chapucear; clarear; clarecer; colocar; dar el pego; dar salida; dar un sablazo; definir; defraudar; dejar; dejar bajar; dejar salir; delimitar; demarcar; depositar; derrocar; desahuciar; desalojar; desconectar; desenchufar; deslindar; destituir; destronar; elaborar; embarullar; embaucar; emporcarse; engañar; enredar; ensuciarse; estafar; formular; frangollar; hacer bajar; hacer mal; hacer una mala jugada; joder; levantar; llevar hasta; mancharse; mentir; pegarle a una persona; perfilar; proyectar; quedar defraudado; robar con engaño; sablear; sacar; socaliñar; timar; tomar el pelo
afzien van abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; parar; quedar eliminado; retirarse; salir; salir de; soltar
beëindigen acabar; acabar con una; acabar de; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; detenerse; efectuar; encontrarse en la recta final; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; realizar; terminar; ultimar; vencer acabar; completar; dar fin a; disociar; finalizar; interrumpir; quebrar; romper; separar; terminar
doen stoppen parar
dwarsbomen contrariar; contrarrestar; dificultar; estorbar; hacer la contra; llevar la contraria; malograr; obstaculizar; parar
dwarsliggen contrariar; contrarrestar; dificultar; estorbar; hacer la contra; llevar la contraria; malograr; obstaculizar; parar
een einde maken aan acabar; acabar con una; acabar de; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; detenerse; efectuar; encontrarse en la recta final; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; realizar; terminar; ultimar; vencer acabar; completar; dar fin a; finalizar; terminar
eindigen acabar; acabar con una; acabar de; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; detenerse; efectuar; encontrarse en la recta final; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; realizar; terminar; ultimar; vencer acabar; cruzar la meta; llegar; llegar al final; terminar; terminarse
ergens zijn detenerse; estar; estar parado; parar
ermee uitscheiden abandonar; empatar; excretar; parar; prescendir de; renunciar a; suspender; terminar
eruitstappen abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; parar; quedar eliminado; retirarse; salir; salir de; soltar
halt houden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a detenerse; estreñir; llenar con masilla; ocultar; pararse; taponar; zurcir
opgeven abandonar; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; empatar; excretar; parar; prescendir de; quedar eliminado; renunciar a; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; terminar abandonar toda esperanza; apuntarse para; capitular; desahuciar; desistir de; devolver; entregar; entregar a; entregarse; enviar; escupir; inmolar; inscribir; mandar; ofrecer; ofrendar; perder toda esperanza; registrar; remitir; rendirse; renunciar a; retransmitir; sacrificar; suscribirse a
ophouden abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; cesar; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; detener; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; pararse; poner fin a; poner fin a una; poner freno a; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; realizar; renunciar a; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; terminar; ultimar; vencer aminorar; anudarse; cesar; cortarse; dejar; demorar; demorarse; desistir de; detener; extinguirse; ganar tiempo; hacer respetar; levantar; no ponerse; retardar; sostener
pareren desviar; parar
remmen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a frenar; refrenar
spieken abandonar; hacer huelga; parar; ponerse en huelga; terminar
staken abandonar; empatar; excretar; parar; prescendir de; renunciar a; suspender; terminar declararse en huelga; estar en huelga; hacer huelga; interrumpir el trabajo; ponerse en huelga
stilzetten apagar; desconectar; parar inmovilizar
stoppen abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; apagar; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; desconectar; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; llegar; llegar al fin; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; realizar; renunciar a; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; terminar; ultimar; vencer cerrar; cerrar herméticamente; detener; detenerse; enmasillar; estar inmóvil; estreñir; frenar; llenar con masilla; no seguir; ocultar; pararse; quedarse en su lugar; quedarse quieto; tapar; tapar huecos; taponar; zurcir
stopzetten cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tegenhouden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tegenwerken contrariar; contrarrestar; dificultar; estorbar; hacer la contra; llevar la contraria; malograr; obstaculizar; parar complicar; complicarse; dificultar; obstaculizar
tot staan brengen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tot stilstand brengen apagar; desconectar; parar
uitscheiden abandonar; empatar; excretar; parar; prescendir de; renunciar a; suspender; terminar desembarazarse de; deshacerse de; echar; emitir; verter
verblijven alojar; alojarse; estar domiciliado; habitar; residir; tener su sede; vivir
weghouden mantener a distancia; mantener apartado; no admitir; parar; rechazar
weren desviar; parar defender; evitar; prevenir
zich ophouden detenerse; estar; estar parado; parar

Synoniemen voor "parar":


Wiktionary: parar

parar
verb
  1. ophouden te werken
  2. (overgankelijk) iets geheel van zijn snelheid beroven
  3. doen halthouden
  4. (overgankelijk) laten stilstaan of ophouden, afzetten, stilzetten
  5. iets of iemand stoppen

Cross Translation:
FromToVia
parar stuiten; stoppen arrest — to stop (a process etc.)
parar aanhouden; wenken flag — to signal to
parar opgeven quit — to give up, stop doing something
parar rechtzetten; zetten; rechtstellen; stellen stand up — bring something up and set it into a standing position
parar stoppen; stilstaan; halthouden stop — cease moving
parar aanhouden; stoppen stop — cause (something) to cease moving
parar staken strike — to stop working to achieve better working conditions

para vorm van parir:

parir werkwoord

  1. parir (dar a luz)
    bevallen; baren; voortbrengen; ter wereld brengen
    • bevallen werkwoord (beval, bevalt, beviel, bevielen, bevallen)
    • baren werkwoord (baar, baart, baarde, baarden, gebaard)
    • voortbrengen werkwoord (breng voort, brengt voort, bracht voort, brachten voort, voortgebracht)
    • ter wereld brengen werkwoord (breng ter wereld, brengt ter wereld, bracht ter wereld, brachten ter wereld, ter wereld gebracht)
  2. parir (traer al mundo)
    jongen; werpen; ter wereld brengen
    • jongen werkwoord (jong, jongt, jongde, jongden, gejongd)
    • werpen werkwoord (werp, werpt, wierp, wierpen, geworpen)
    • ter wereld brengen werkwoord (breng ter wereld, brengt ter wereld, bracht ter wereld, brachten ter wereld, ter wereld gebracht)
  3. parir
    kweken; fokken; opfokken
    • kweken werkwoord (kweek, kweekt, kweekte, kweekten, gekweekt)
    • fokken werkwoord (fok, fokt, fokte, fokten, gefokt)
    • opfokken werkwoord (fok op, fokt op, fokte op, fokten op, opgefokt)
  4. parir (lanzar a la vida)
    kalven; kalveren werpen
    • kalven werkwoord (kalf, kalft, kalfde, kalfden, gekalfd)
    • kalveren werpen werkwoord (werp kalveren, werpt kalveren, wierp kalveren, wierpen kalveren, kalveren geworpen)

Conjugations for parir:

presente
  1. paro
  2. pares
  3. pare
  4. parimos
  5. parís
  6. paren
imperfecto
  1. paría
  2. parías
  3. paría
  4. paríamos
  5. paríais
  6. parían
indefinido
  1. parí
  2. pariste
  3. parió
  4. parimos
  5. paristeis
  6. parieron
fut. de ind.
  1. pariré
  2. parirás
  3. parirá
  4. pariremos
  5. pariréis
  6. parirán
condic.
  1. pariría
  2. parirías
  3. pariría
  4. pariríamos
  5. pariríais
  6. parirían
pres. de subj.
  1. que para
  2. que paras
  3. que para
  4. que paramos
  5. que paráis
  6. que paran
imp. de subj.
  1. que pariera
  2. que parieras
  3. que pariera
  4. que pariéramos
  5. que parierais
  6. que parieran
miscelánea
  1. ¡pare!
  2. ¡parid!
  3. ¡no paras!
  4. ¡no paráis!
  5. parido
  6. pariendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

parir [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el parir
    werpen; jongen krijgen

Vertaal Matrix voor parir:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
fokken cultivo
jongen chico; golfillo
jongen krijgen parir
kweken cría; cultivo; producción
werpen parir
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
baren dar a luz; parir
bevallen dar a luz; parir agradar; contentar; convenir; dar gust a; dar gusto; dar satisfacción a; encantar; fascinar; gustar
fokken parir criar; cultivar; engendrar; fomentar; generar; originar; plantar
jongen parir; traer al mundo
kalven lanzar a la vida; parir
kalveren werpen lanzar a la vida; parir
kweken parir criar; cultivar; engendrar; fomentar; generar; originar; plantar
opfokken parir animar; apresurar; atizar; avivar; encender; estimular; excitar; impulsar a; incitar; incitar a; instigar; poner en pie; sembrar discordia
ter wereld brengen dar a luz; parir; traer al mundo dar a luz
voortbrengen dar a luz; parir criar; cultivar; elaborar; engendrar; fabricar; fomentar; generar; hacer; originar; plantar; producir
werpen parir; traer al mundo

Synoniemen voor "parir":


Wiktionary: parir

parir
verb
  1. op de wereld brengen
  2. het leven schenken aan een kind
  3. (van zoogdieren) ter wereld brengen, baren

Cross Translation:
FromToVia
parir baren bear — give birth to
parir baren deliver — give birth
parir baren give birth — produce new life
parir werpen litter — give birth
parir verlossen; bevallen accouchermettre au monde un enfant.
parir baren donner naissancemettre au monde ; accoucher d’un enfant.
parir baren mettre au mondeengendrer, concernant des femelles.

para vorm van pararse:

pararse werkwoord

  1. pararse (quedarse en su lugar; quedarse quieto; detenerse; no seguir; estar inmóvil)
    stoppen; inhouden; blijven staan; stilstaan; stilhouden
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • inhouden werkwoord (houd in, houdt in, hield in, hielden in, ingehouden)
    • blijven staan werkwoord (blijf staan, blijft staan, bleef staan, bleven staan, staan gebleven)
    • stilstaan werkwoord (sta stil, staat stil, stond stil, stonden stil, stil gestaan)
    • stilhouden werkwoord (houd stil, houdt stil, hield stil, hielden stil, stil gehouden)
  2. pararse (taponar; detenerse; zurcir; )
    stoppen; halt houden
    • stoppen werkwoord (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • halt houden werkwoord (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
  3. pararse (detenerse)
    stoppen; halthouden
  4. pararse (parar; detener; cesar; poner freno a)
    ophouden; stopzetten; remmen; tegenhouden; halt houden; tot staan brengen
    • ophouden werkwoord (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stopzetten werkwoord (zet stop, zette stop, zetten stop, stopgezet)
    • remmen werkwoord (rem, remt, remde, remden, geremd)
    • tegenhouden werkwoord (houd tegen, houdt tegen, hield tegen, hielden tegen, tegengehouden)
    • halt houden werkwoord (houd halt, houdt halt, hield halt, hielden halt, halt gehouden)
    • tot staan brengen werkwoord (breng tot staan, brengt tot staan, bracht tot staan, brachten tot staan, tot staan gebracht)
  5. pararse (quedarse parado; quedarse quieto; detenerse; paralizarse; estar inmóvil)
    stil staan
    • stil staan werkwoord (sta stil, staat stil, stond stil, stonden stil, stil gestaan)
  6. pararse (quedarse quieto; paralizarse; estar inmóvil; quedarse inmóvil)
    stilstaan; tot stilstand komen
    • stilstaan werkwoord (sta stil, staat stil, stond stil, stonden stil, stil gestaan)
    • tot stilstand komen werkwoord (kom tot stilstand, komt tot stilstand, kwam tot stilstand, kwamen tot stilstand, tot stilstand gekomen)

Conjugations for pararse:

presente
  1. me paro
  2. te paras
  3. se para
  4. nos paramos
  5. os paráis
  6. se paran
imperfecto
  1. me paraba
  2. te parabas
  3. se paraba
  4. nos parábamos
  5. os parabais
  6. se paraban
indefinido
  1. me paré
  2. te paraste
  3. se paró
  4. nos paramos
  5. os parasteis
  6. se pararon
fut. de ind.
  1. me pararé
  2. te pararás
  3. se parará
  4. nos pararemos
  5. os pararéis
  6. se pararán
condic.
  1. me pararía
  2. te pararías
  3. se pararía
  4. nos pararíamos
  5. os pararíais
  6. se pararían
pres. de subj.
  1. que me pare
  2. que te pares
  3. que se pare
  4. que nos paremos
  5. que os paréis
  6. que se paren
imp. de subj.
  1. que me parara
  2. que te pararas
  3. que se parara
  4. que nos paráramos
  5. que os pararais
  6. que se pararan
miscelánea
  1. ¡párate!
  2. ¡paraos!
  3. ¡no te pares!
  4. ¡no os paréis!
  5. parado
  6. parándose
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor pararse:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
inhouden comprender; contener
ophouden conclusión; finalización
stilhouden parada
stoppen obturar; parada; tapar
tot stilstand komen detenerse
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
blijven staan detenerse; estar inmóvil; no seguir; pararse; quedarse en su lugar; quedarse quieto
halt houden cesar; detener; detenerse; estreñir; llenar con masilla; ocultar; parar; pararse; poner freno a; taponar; zurcir
halthouden detenerse; pararse
inhouden detenerse; estar inmóvil; no seguir; pararse; quedarse en su lugar; quedarse quieto comprender; contener; deducir; guardar; implicar; quedarse tranquilo; retener; significar
ophouden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; aminorar; anudarse; cesar; completar; concluir; cortarse; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; demorar; demorarse; desemprender; desenganchar; desentenderse; desistir de; desprenderse; desvincular; detener; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; ganar tiempo; hacer respetar; levantar; llegar; llegar al fin; no ponerse; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; realizar; renunciar a; retardar; retirarse; salir; salir de; soltar; sostener; suspender; terminar; ultimar; vencer
remmen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a frenar; refrenar
stil staan detenerse; estar inmóvil; paralizarse; pararse; quedarse parado; quedarse quieto
stilhouden detenerse; estar inmóvil; no seguir; pararse; quedarse en su lugar; quedarse quieto
stilstaan detenerse; estar inmóvil; no seguir; paralizarse; pararse; quedarse en su lugar; quedarse inmóvil; quedarse quieto
stoppen detenerse; estar inmóvil; estreñir; llenar con masilla; no seguir; ocultar; pararse; quedarse en su lugar; quedarse quieto; taponar; zurcir abandonar; acabar; acabar con una; acabar de; apagar; cerrar; cerrar herméticamente; completar; concluir; dar fin a; dar fin a una; decidir; decidirse a; dejar; dejar de; desconectar; desemprender; desenganchar; desentenderse; desprenderse; desvincular; detener; detenerse; efectuar; empatar; encontrarse en la recta final; enmasillar; excretar; expirar; extinguirse; finalizar; frenar; llegar; llegar al fin; llenar con masilla; parar; poner fin a; poner fin a una; poner término a; poner término a una; prescendir de; quedar eliminado; realizar; renunciar a; retirarse; salir; salir de; soltar; suspender; tapar; tapar huecos; taponar; terminar; ultimar; vencer; zurcir
stopzetten cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tegenhouden cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tot staan brengen cesar; detener; parar; pararse; poner freno a
tot stilstand komen estar inmóvil; paralizarse; pararse; quedarse inmóvil; quedarse quieto

Synoniemen voor "pararse":

  • estacionarse; estabilizarse; inmovilizarse

Wiktionary: pararse

pararse
verb
  1. café

Cross Translation:
FromToVia
pararse mankeren fail — cease to operate
pararse opstaan stand — to rise to one’s feet
pararse opstaan stand up — rise from a sitting position

par:

par [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el par (pareja)
    het paar; het stelletje; de koppel; het stel
    • paar [het ~] zelfstandig naamwoord
    • stelletje [het ~] zelfstandig naamwoord
    • koppel [de ~] zelfstandig naamwoord
    • stel [het ~] zelfstandig naamwoord
  2. el par (pareja)
    het paar; de koppel; levenspaar
    • paar [het ~] zelfstandig naamwoord
    • koppel [de ~] zelfstandig naamwoord
    • levenspaar [znw.] zelfstandig naamwoord
  3. el par
    de gelijke; de weerga
    • gelijke [de ~] zelfstandig naamwoord
    • weerga [de ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor par:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gelijke par
koppel par; pareja banda; colección; dúo; grupo; panda; pandilla; pareja; yunta
levenspaar par; pareja
paar par; pareja dúo; pareja
stel par; pareja acumulación; amontonamiento; banda; colección; compilación; grupo; montón; panda; pandilla; selección; yunta
stelletje par; pareja
weerga par
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
weerga igual

Verwante woorden van "par":

  • pares, para, paras

Synoniemen voor "par":


Wiktionary: par

par
noun
  1. 2
  2. stelsel van twee gelijke en evenwijdige krachten...
  1. twee van een soort die bij elkaar horen

Cross Translation:
FromToVia
par broeder; broer brother — male sibling
par tweetal; koppel; paar couple — two of the same kind considered together
par paar; even even — arithmetic: divisible by two
par paar; koppel; duo; tweetal pair — two similar or identical things
par gelijke peer — someone or something of equal level
par edelman; edele peer — noble
par koppel torque — a rotational or twisting force
par duo; stelletje; koppel; paar; span; stel; tweetal pairedeux choses de même espèce, qui aller nécessairement ou ordinairement ensemble.

Verwante vertalingen van para