Spaans

Uitgebreide vertaling voor proceder (Spaans) in het Nederlands

proceder:

proceder werkwoord

  1. proceder (trabajar)
    werken; opereren; manipuleren; te werk gaan; procederen; optreden; handelen; leven
    • werken werkwoord (werk, werkt, werkte, werkten, gewerkt)
    • opereren werkwoord (opereer, opereert, opereerde, opereerden, geopereerd)
    • manipuleren werkwoord
    • te werk gaan werkwoord (ga te werk, gaat te werk, ging te werk, gingen te werk, te werk gegaan)
    • procederen werkwoord (procedeer, procedeert, procedeerde, procedeerden, geprocedeerd)
    • optreden werkwoord (treed op, treedt op, trad op, traden op, opgetreden)
    • handelen werkwoord (handel, handelt, handelde, handelden, gehandeld)
    • leven werkwoord (leef, leeft, leefde, leefden, geleefd)
  2. proceder (resultar; derivar)
    uitkomen; voortkomen uit; ontspringen; ontstaan uit; uitbotten; uitlopen; ontspruiten
    • uitkomen werkwoord (kom uit, komt uit, kwam uit, kwamen uit, uitgekomen)
    • voortkomen uit werkwoord
    • ontspringen werkwoord (ontspring, ontspringt, ontsprong, ontsprongen, ontsprongen)
    • ontstaan uit werkwoord (ontsta uit, ontstaat uit, ontstond uit, ontstonden uit, ontstaan uit)
    • uitbotten werkwoord (bot uit, botte uit, botten uit, uitgebot)
    • uitlopen werkwoord (loop uit, loopt uit, liep uit, liepen uit, uitgelopen)
    • ontspruiten werkwoord (ontspruit, ontsproot, ontsproten, ontsproten)

Conjugations for proceder:

presente
  1. procedo
  2. procedes
  3. procede
  4. procedemos
  5. procedéis
  6. proceden
imperfecto
  1. procedía
  2. procedías
  3. procedía
  4. procedíamos
  5. procedíais
  6. procedían
indefinido
  1. procedí
  2. procediste
  3. procedió
  4. procedimos
  5. procedisteis
  6. procedieron
fut. de ind.
  1. procederé
  2. procederás
  3. procederá
  4. procederemos
  5. procederéis
  6. procederán
condic.
  1. procedería
  2. procederías
  3. procedería
  4. procederíamos
  5. procederíais
  6. procederían
pres. de subj.
  1. que proceda
  2. que procedas
  3. que proceda
  4. que procedamos
  5. que procedáis
  6. que procedan
imp. de subj.
  1. que procediera
  2. que procedieras
  3. que procediera
  4. que procediéramos
  5. que procedierais
  6. que procedieran
miscelánea
  1. ¡procede!
  2. ¡proceded!
  3. ¡no procedas!
  4. ¡no procedáis!
  5. procedido
  6. procediendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

proceder [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el proceder (gesto; muestra; seña; )
    het gebaar; de geste
    • gebaar [het ~] zelfstandig naamwoord
    • geste [de ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor proceder:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gebaar acción; ademán; gesto; muestra; proceder; seña; señal; signo acción; conducta; ejercicio; gesto; marcha; pasadizo; rebosamiento; traslado
geste acción; ademán; gesto; muestra; proceder; seña; señal; signo
handelen acción; procedimiento
leven afluencia; agitación; aglomeración; alboroto; barullo; estruendo; existencia; ruido; tumulto
optreden comportamiento; conducta; manera; modo
werken acción; actividad; elaboración; funcionamiento
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
handelen proceder; trabajar actuar; comerciar; efectuar; hacer; hacer realizar; negociar; realizar; traficar en; tratar en
leven proceder; trabajar alojar; alojarse; estar domiciliado; existir; habitar; residir; ser; tener su sede; vivir
manipuleren proceder; trabajar manipular
ontspringen derivar; proceder; resultar
ontspruiten derivar; proceder; resultar brotar; derivarse de; descender de; ser originario de
ontstaan uit derivar; proceder; resultar
opereren proceder; trabajar
optreden proceder; trabajar actuar; darse; interpretar un papel teatral; intervenir; trabajar
procederen proceder; trabajar
te werk gaan proceder; trabajar
uitbotten derivar; proceder; resultar
uitkomen derivar; proceder; resultar abrirse; ajustar; aparecer; arreglárselas; brotar; convenir; deducirse de; derivarse de; descubrirse; desprenderse de; divulgarse; llegar a final de mes; resultar; resultar de; resultarse; salir; ser adecuado; ser claro; ser evidente; ser manifiesto; tener bastante para vivir; tener suficiente
uitlopen derivar; proceder; resultar acabar en
voortkomen uit derivar; proceder; resultar
werken proceder; trabajar trabajar
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
uitkomen emitir; salir

Verwante woorden van "proceder":

  • procederes

Synoniemen voor "proceder":


Wiktionary: proceder


Cross Translation:
FromToVia
proceder doorgaan; aan de gang gaan met get on with — proceed with
proceder doorgaan; verdergaan proceed — pass from one point to another
proceder voortkomen; afkomstig zijn van proceed — come forth as a source or origin
proceder doorgaan; verdergaan proceed — go on in an orderly or regulated manner
proceder afstammen; het gevolg zijn van; ontspruiten; voortkomen provenirprocéder, venir, dériver, résulter.

Verwante vertalingen van proceder