Spaans

Uitgebreide vertaling voor rechazo (Spaans) in het Nederlands

rechazo:

rechazo [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el rechazo (rebote)
    de terugslag; de terugstoot
  2. el rechazo (rebote; retroceso; recaída; regresión)
    het atavisme; de terugloop
  3. el rechazo

Vertaal Matrix voor rechazo:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
atavisme rebote; recaída; rechazo; regresión; retroceso
terugloop rebote; recaída; rechazo; regresión; retroceso disminución; recesión; reducción; regresión
terugslag rebote; rechazo catástrofe; contratiempo; contratiempos; decepción; desastre; desdicha; desengaño; desgracia; desilusión; infortunio; mala suerte
terugstoot rebote; rechazo
Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
weerlegbaarheid rechazo

Verwante woorden van "rechazo":


Synoniemen voor "rechazo":


Wiktionary: rechazo

rechazo
noun
  1. de afstoting van verstorven delen

Cross Translation:
FromToVia
rechazo weigering; afwijzing Abweisung — Nichtannahme oder Nichtstattgabe eines Anliegens oder Antrages

rechazar:

rechazar werkwoord

  1. rechazar (despedir; rehusar; negar; )
    afwijzen; weigeren
    • afwijzen werkwoord (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • weigeren werkwoord (weiger, weigert, weigerde, weigerden, geweigerd)
  2. rechazar (abstenerse)
    abstineren; onthouden; afwijzen; afwimpelen; bedanken; afslaan
    • abstineren werkwoord (abstineer, abstineert, abstineerde, abstineerden, geabstineerd)
    • onthouden werkwoord (onthoud, onthoudt, onthield, onthielden, onthouden)
    • afwijzen werkwoord (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • afwimpelen werkwoord (wimpel af, wimpelt af, wimpelde af, wimpelden af, afgewimpeld)
    • bedanken werkwoord (bedank, bedankt, bedankte, bedankten, bedankt)
    • afslaan werkwoord (sla af, slaat af, sloeg af, sloegen af, afgeslagen)
  3. rechazar (remitir; devolver; restituir)
    teruggooien; terugwerpen
    • teruggooien werkwoord (gooi terug, gooit terug, gooide terug, gooiden terug, teruggegooid)
    • terugwerpen werkwoord (werp terug, werpt terug, wierp terug, wierpen terug, teruggeworpen)
  4. rechazar (declinar)
    wegsturen; afwimpelen; afschepen
    • wegsturen werkwoord (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
    • afwimpelen werkwoord (wimpel af, wimpelt af, wimpelde af, wimpelden af, afgewimpeld)
    • afschepen werkwoord (scheep af, scheept af, scheepte af, scheepten af, afgescheept)
  5. rechazar (declarar incompetente)
    afkeuren; ongeschikt verklaren
  6. rechazar (enviar; mandar; despedir; )
    verzenden; sturen; opsturen; toezenden; posten; wegzenden; wegsturen
    • verzenden werkwoord (verzend, verzendt, verzond, verzonden, verzonden)
    • sturen werkwoord (stuur, stuurt, stuurde, stuurden, gestuurd)
    • opsturen werkwoord (stuur op, stuurt op, stuurde op, stuurden op, opgestuurd)
    • toezenden werkwoord (zend toe, zendt toe, zond toe, zonden toe, toegezonden)
    • posten werkwoord (post, postte, postten, gepost)
    • wegzenden werkwoord (zend weg, zendt weg, zond weg, zonden weg, weggezonden)
    • wegsturen werkwoord (stuur weg, stuurt weg, stuurde weg, stuurden weg, weggestuurd)
  7. rechazar (negarse; plantarse)
    weigeren; vertikken; declineren
    • weigeren werkwoord (weiger, weigert, weigerde, weigerden, geweigerd)
    • vertikken werkwoord
    • declineren werkwoord (declineer, declineert, declineerde, declineerden, gedeclineerd)
  8. rechazar (repeler; desconocer; declinar; )
    afwijzen; verwerpen; afkeuren; afstemmen
    • afwijzen werkwoord (wijs af, wijst af, wees af, wezen af, afgewezen)
    • verwerpen werkwoord (verwerp, verwerpt, verwierp, verwierpen, verworpen)
    • afkeuren werkwoord (keur af, keurt af, keurde af, keurden af, afgekeurd)
    • afstemmen werkwoord (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)
  9. rechazar (correr; repeler)
    wegduwen; wegdrukken; wegschuiven; wegdringen
    • wegduwen werkwoord (duw weg, duwt weg, duwde weg, duwden weg, weggeduwd)
    • wegdrukken werkwoord (druk weg, drukt weg, drukte weg, drukten weg, weggedrukt)
    • wegschuiven werkwoord (schuif weg, schuift weg, schoof weg, schoven weg, weggeschoven)
    • wegdringen werkwoord (dring weg, dringt weg, drong weg, drongen weg, weggedrongen)
  10. rechazar (mantener apartado; parar; no admitir; mantener a distancia)
    weghouden
    • weghouden werkwoord (houd weg, houdt weg, hield weg, hielden weg, weggehouden)
  11. rechazar (reservar; dejar de lado; contener; )
    reserveren; behouden; opzijleggen; achterhouden; terughouden
    • reserveren werkwoord (reserveer, reserveert, reserveerde, reserveerden, gereserveerd)
    • behouden werkwoord (behoud, behoudt, behield, behielden, behouden)
    • opzijleggen werkwoord (leg opzij, legt opzij, legde opzij, legden opzij, opzij gelegd)
    • achterhouden werkwoord (houd achter, houdt achter, hield achter, hielden achter, achtergehouden)
    • terughouden werkwoord (houd terug, houdt terug, hield terug, hielden terug, teruggehouden)
  12. rechazar (expulsar)
    uitwerpen
    • uitwerpen werkwoord (werp uit, werpt uit, wierp uit, wierpen uit, uitgeworpen)
  13. rechazar
    weigeren
    • weigeren werkwoord (weiger, weigert, weigerde, weigerden, geweigerd)

Conjugations for rechazar:

presente
  1. rechazo
  2. rechazas
  3. rechaza
  4. rechazamos
  5. rechazáis
  6. rechazan
imperfecto
  1. rechazaba
  2. rechazabas
  3. rechazaba
  4. rechazábamos
  5. rechazabais
  6. rechazaban
indefinido
  1. rechacé
  2. rechazaste
  3. rechazó
  4. rechazamos
  5. rechazasteis
  6. rechazaron
fut. de ind.
  1. rechazaré
  2. rechazarás
  3. rechazará
  4. rechazaremos
  5. rechazaréis
  6. rechazarán
condic.
  1. rechazaría
  2. rechazarías
  3. rechazaría
  4. rechazaríamos
  5. rechazaríais
  6. rechazarían
pres. de subj.
  1. que rechace
  2. que rechaces
  3. que rechace
  4. que rechacemos
  5. que rechacéis
  6. que rechacen
imp. de subj.
  1. que rechazara
  2. que rechazaras
  3. que rechazara
  4. que rechazáramos
  5. que rechazarais
  6. que rechazaran
miscelánea
  1. ¡rechaza!
  2. ¡rechazad!
  3. ¡no rechaces!
  4. ¡no rechacéis!
  5. rechazado
  6. rechazando
1. yo, 2. tĆŗ, 3. Ć©l/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

rechazar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el rechazar (rehusar)
    weigeren; afslaan; afwijzen
  2. el rechazar
    afwimpelen
  3. el rechazar
    terugwijzen
  4. el rechazar (repeler)
    afbeuken

Vertaal Matrix voor rechazar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
afbeuken rechazar; repeler
afkeuren desaprobar
afslaan rechazar; rehusar
afstemmen ajuste; atonar; igualación; poner a tono; reglaje; regulación; regular; sincronización; sintonizar
afwijzen rechazar; rehusar
afwimpelen rechazar
declineren cambio; declinación
onthouden abstinencia
posten echar al correo; expedición; remisión
sturen ruedas del timón; volantes
terugwijzen rechazar
verzenden expedición; remisión
wegschuiven descartar
wegsturen expedición; remisión
weigeren rechazar; rehusar
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
abstineren abstenerse; rechazar abstenerse; ayunar; hacer huelga de hambre
achterhouden contener; dejar de lado; negar; no aceptar; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse callar; contener; defraudar; desfalcar; disentir; disimular; divergir; encubrir; escapar; esconder; evitar; guardar; guardarse de; huntar; mangar; mangar a; no mencionar; ocultar; pasar por alto; retener; robar; velar
afkeuren declarar incompetente; declinar; denegar; descartar; desconocer; negar; no aceptar; no aprobar; rebatir; rechazar; rehusar; renunciar a; repeler; sacudir; subastar; suspender desaprobar
afschepen declinar; rechazar
afslaan abstenerse; rechazar
afstemmen declinar; denegar; descartar; desconocer; negar; no aceptar; no aprobar; rebatir; rechazar; rehusar; renunciar a; repeler; sacudir; subastar; suspender acondicionar; adaptar; adaptar a; ajustar; ajustar a; armonizar; conciliar; descartar; desestimar; encaminarse; enfocar; formar; hacer volver; instalar; no aceptar; no aprobar; no funcionar; rechazar por votación; regular; sincronizar; sintonizar; suspender
afwijzen abstenerse; anular; declinar; denegar; deponer; descartar; desconocer; despedir; enviar; negar; no aceptar; no aprobar; no dejar entrar; no funcionar; rebatir; rebotar; rechazar; rehusar; renunciar a; repeler; sacudir; subastar; suspender descartar; desestimar; encaminarse; formar; hacer volver; no aceptar; no aprobar; no funcionar; rechazar por votación; suspender
afwimpelen abstenerse; declinar; rechazar
bedanken abstenerse; rechazar agradecer; dar las gracias; rendir las gracias
behouden contener; dejar de lado; negar; no aceptar; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse amparar; conservar; guardar; mantener; proteger
declineren negarse; plantarse; rechazar abreviar; ahorrar; bajar; cascar; conjugar; decaer; declinar; decrecer; desaparecer; descender; disminuir; flectar la cabeza; hacer recortes; llevarse; menguar; rebajar; recortar; reducir; reducirse; regresar; remover; robar; vencer
ongeschikt verklaren declarar incompetente; rechazar
onthouden abstenerse; rechazar acordarse de; conmemorar; recordar; reservarse; retener
opsturen apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar enviar; mandar; mandar a
opzijleggen contener; dejar de lado; negar; no aceptar; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse
posten apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar aparcar; colocar; colocarse; componer; destinar; echar al buzón; echar al correo; enviar; estacionar; estar echado; exponer; instalar; mandar; mandar a; meter; publicar; ubicar
reserveren contener; dejar de lado; negar; no aceptar; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse dejar de lado; reservar un viaje; reservarse
sturen apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar conducir; dirigir; estar al volante; llevar el timón
teruggooien devolver; rechazar; remitir; restituir
terughouden contener; dejar de lado; negar; no aceptar; poner aparte; rechazar; reservar; reservarse apartar de; mantener a distancia; mantener apartado; tener bajo control
terugwerpen devolver; rechazar; remitir; restituir
terugwijzen descartar; desestimar; encaminarse; formar; hacer volver; no aceptar; no aprobar; no funcionar; rechazar por votación; suspender
toezenden apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar enviar; mandar; mandar a
uitwerpen expulsar; rechazar arrojar; desembarazarse de; deshacerse de; echar; emitir; lanzar; verter
vertikken negarse; plantarse; rechazar
verwerpen declinar; denegar; descartar; desconocer; negar; no aceptar; no aprobar; rebatir; rechazar; rehusar; renunciar a; repeler; sacudir; subastar; suspender descartar; desestimar; encaminarse; formar; hacer volver; no aceptar; no aprobar; no funcionar; rechazar por votación; suspender
verzenden apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar despachar; destituir; disolver; distribuir; echar; enviar; expulsar; mandar
wegdringen correr; rechazar; repeler
wegdrukken correr; rechazar; repeler
wegduwen correr; rechazar; repeler
weghouden mantener a distancia; mantener apartado; no admitir; parar; rechazar
wegschuiven correr; rechazar; repeler
wegsturen apartar; declinar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar despachar; destituir; disolver; echar; enviar; expulsar; mandar
wegzenden apartar; deponer; despedir; destituir; echar; echar al correo; emitir; enviar; excarcelar; expedir; expulsar; mandar; rechazar; remitir; retransmitir; soltar despachar; destituir; disolver; echar; enviar; expulsar; mandar
weigeren anular; denegar; deponer; descartar; despedir; enviar; negar; negarse; no aceptar; no dejar entrar; no funcionar; plantarse; rebotar; rechazar; rehusar; suspender
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
verwerpen negativo; reacio; recalcitrante; rechazando

Synoniemen voor "rechazar":


Wiktionary: rechazar

rechazar
verb
  1. een voorstel verwerpen
  2. iets weigeren aan te nemen
  3. aanval afslaan
  4. een negatieve beslissing ergens over nemen
  5. weigeren aan te nemen
  6. in een rechtszaak een oordeel uitspreken
  7. afwijzen

Cross Translation:
FromToVia
rechazar ontzeggen; verwerpen abnegate — to reject, to deny
rechazar weigeren; afwijzen decline — refuse
rechazar verwerpen nix — to reject or cancel
rechazar verwerpen reject — refuse to accept
rechazar ontkennen repudiate — to reject the truth of, deny
rechazar afwijzen abweisen — eine Bitte, eine Anfrage ablehnen; einer Bitte oder Anfrage nicht nachkommen
rechazar afslaan; afwijzen; verwerpen; weigeren; wraken; nee zeggen tegen; afkeuren; terugwijzen; vertikken refuserrejeter une demande, ne pas accorder ce qui demander ; ne pas vouloir faire ce qui est exiger, prescrire, ordonné.
rechazar braken; kotsen; overgeven; spugen; afkeuren; afwijzen; terugwijzen; vertikken; weigeren; retourneren; terugbezorgen; terugsturen; heruitzenden; terugdringen; verdringen; weren; ontzenuwen; weerleggen; afslaan; verwerpen; wraken; nee zeggen tegen; vergooien; weggooien; wegwerpen rejeter — Traductions à trier suivant le sens
rechazar afslaan; afwijzen; verwerpen; weigeren; wraken; nee zeggen tegen; afkeuren; terugwijzen; vertikken; retourneren; terugbezorgen; terugsturen; heruitzenden; het oneens zijn; afstoten; verdringen; verduwen; wegdringen; wegduwen; wegstoten; uitdrijven; verdrijven; verjagen; wegdrijven; wegjagen repousser — Pousser en arrière, rejeter ; faire reculer quelqu’un, écarter de soi quelque chose.