Spaans

Uitgebreide vertaling voor reinar (Spaans) in het Nederlands

reinar:

reinar werkwoord

  1. reinar (ejercer el poder; imperar; dominar; prevalecer; predominar)
    overheersen; regeren; heersen; gezaghebben; macht uitoefenen
    • overheersen werkwoord (overheers, overheerst, overheerste, overheersten, overheerst)
    • regeren werkwoord (regeer, regeert, regeerde, regeerden, geregeerd)
    • heersen werkwoord (heers, heerst, heerste, heersten, geheerst)
    • gezaghebben werkwoord
    • macht uitoefenen werkwoord (oefen macht uit, oefent macht uit, oefende macht uit, oefenden macht uit, macht uitgeoefend)
  2. reinar (prevalecer; imperar; dominar; mandar)
    heersen; de overhand hebben
    • heersen werkwoord (heers, heerst, heerste, heersten, geheerst)
    • de overhand hebben werkwoord (heb de overhand, hebt de overhand, heeft de overhand, had de overhand, hadden de overhand, de overhand gehad)
  3. reinar (dominar; subyugar; mandar; imperar)
    overheersen; beheersen; machtiger zijn; onderwerpen; heersen over
    • overheersen werkwoord (overheers, overheerst, overheerste, overheersten, overheerst)
    • beheersen werkwoord (beheers, beheerst, beheersde, beheersden, beheerst)
    • machtiger zijn werkwoord
    • onderwerpen werkwoord (onderwerp, onderwerpt, onderwierp, onderwierpen, onderworpen)
    • heersen over werkwoord
  4. reinar (mandar; dominar)
    heersen; heerschappij voeren

Conjugations for reinar:

presente
  1. reino
  2. reinas
  3. reina
  4. reinamos
  5. reináis
  6. reinan
imperfecto
  1. reinaba
  2. reinabas
  3. reinaba
  4. reinábamos
  5. reinabais
  6. reinaban
indefinido
  1. reiné
  2. reinaste
  3. reinó
  4. reinamos
  5. reinasteis
  6. reinaron
fut. de ind.
  1. reinaré
  2. reinarás
  3. reinará
  4. reinaremos
  5. reinaréis
  6. reinarán
condic.
  1. reinaría
  2. reinarías
  3. reinaría
  4. reinaríamos
  5. reinaríais
  6. reinarían
pres. de subj.
  1. que reine
  2. que reines
  3. que reine
  4. que reinemos
  5. que reinéis
  6. que reinen
imp. de subj.
  1. que reinara
  2. que reinaras
  3. que reinara
  4. que reináramos
  5. que reinarais
  6. que reinaran
miscelánea
  1. ¡reina!
  2. ¡reinad!
  3. ¡no reines!
  4. ¡no reinéis!
  5. reinado
  6. reinando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Vertaal Matrix voor reinar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
onderwerpen asuntos; temas
regeren mando
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beheersen dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar controlar; dominar; quedarse tranquilo; refrenar; reprimir
de overhand hebben dominar; imperar; mandar; prevalecer; reinar dominar; predominar
gezaghebben dominar; ejercer el poder; imperar; predominar; prevalecer; reinar
heerschappij voeren dominar; mandar; reinar
heersen dominar; ejercer el poder; imperar; mandar; predominar; prevalecer; reinar extendir de una enfermedad
heersen over dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar
macht uitoefenen dominar; ejercer el poder; imperar; predominar; prevalecer; reinar
machtiger zijn dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar
onderwerpen dominar; imperar; mandar; reinar; subyugar someter; subyugar; supeditar; vencer
overheersen dominar; ejercer el poder; imperar; mandar; predominar; prevalecer; reinar; subyugar dominar; predominar
regeren dominar; ejercer el poder; imperar; predominar; prevalecer; reinar

Wiktionary: reinar


Cross Translation:
FromToVia
reinar regeeren regierenPolitik: die Herrschaft ausüben, die Macht haben
reinar tronen; zetelen thronen — (intransitiv) auf einem Thron sitzen, als Monarch regieren
reinar regeren reign — exercise sovereign power
reinar koning zijn; regeren; besturen; de scepter zwaaien; heersen régnerexercer le pouvoir souverain dans un état monarchique ; il se dit des princes souverains, même quand ils ne portent pas le titre de roi.