Spaans

Uitgebreide vertaling voor zumbar (Spaans) in het Nederlands

zumbar:

zumbar werkwoord

  1. zumbar
    zoeven
    • zoeven werkwoord (zoef, zoeft, zoefde, zoefden, gezoefd)
  2. zumbar
    zoemen; brommen
    • zoemen werkwoord (zoem, zoemt, zoemde, zoemden, gezoemd)
    • brommen werkwoord (brom, bromt, bromde, bromden, gebromd)
  3. zumbar
    zoemen; gonzen
    • zoemen werkwoord (zoem, zoemt, zoemde, zoemden, gezoemd)
    • gonzen werkwoord (gons, gonst, gonsde, gonsden, gegonsd)
  4. zumbar
    ruisen
  5. zumbar (murmurar; silbar; susurrar)
    suizen; ruisen; suizelen
    • suizen werkwoord (suis, suist, suiste, suisten, gesuist)
    • ruisen werkwoord
    • suizelen werkwoord (suizel, suizelt, suizelde, suizelden, gesuizeld)
  6. zumbar (borbotear; guisar; brotar; )
    op vuur pruttelen; smoren; sudderen; pruttelen; stoffen
    • op vuur pruttelen werkwoord
    • smoren werkwoord (smoor, smoort, smoorde, smoorden, gesmoord)
    • sudderen werkwoord (sudder, suddert, sudderde, sudderden, gesudderd)
    • pruttelen werkwoord (pruttel, pruttelt, pruttelde, pruttelden, geprutteld)
    • stoffen werkwoord (stof, stoft, stofte, stoften, gestoft)
  7. zumbar (rezumar)
    drenzen; jengelen; dreinen; dwingend huilen
    • drenzen werkwoord (drens, drenst, drensde, drensden, gedrensd)
    • jengelen werkwoord (jengel, jengelt, jengelde, jengelden, gejengeld)
    • dreinen werkwoord (drein, dreint, dreinde, dreinden, gedreind)
    • dwingend huilen werkwoord
  8. zumbar (borbotear; reprobar; regañar; )
    sakkeren
    • sakkeren werkwoord (sakker, sakkert, sakkerde, sakkerden, gesakkerd)
  9. zumbar (fruncir)
    tuiten
    • tuiten werkwoord (tuit, tuitte, tuitten, getuit)

Conjugations for zumbar:

presente
  1. zumbo
  2. zumbas
  3. zumba
  4. zumbamos
  5. zumbáis
  6. zumban
imperfecto
  1. zumbaba
  2. zumbabas
  3. zumbaba
  4. zumbábamos
  5. zumbabais
  6. zumbaban
indefinido
  1. zumbé
  2. zumbaste
  3. zumbó
  4. zumbamos
  5. zumbasteis
  6. zumbaron
fut. de ind.
  1. zumbaré
  2. zumbarás
  3. zumbará
  4. zumbaremos
  5. zumbaréis
  6. zumbarán
condic.
  1. zumbaría
  2. zumbarías
  3. zumbaría
  4. zumbaríamos
  5. zumbaríais
  6. zumbarían
pres. de subj.
  1. que zumbe
  2. que zumbes
  3. que zumbe
  4. que zumbemos
  5. que zumbéis
  6. que zumben
imp. de subj.
  1. que zumbara
  2. que zumbaras
  3. que zumbara
  4. que zumbáramos
  5. que zumbarais
  6. que zumbaran
miscelánea
  1. ¡zumba!
  2. ¡zumbad!
  3. ¡no zumbes!
  4. ¡no zumbéis!
  5. zumbado
  6. zumbando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

zumbar [el ~] zelfstandig naamwoord

  1. el zumbar
    bijengegons; bijengezoem

Vertaal Matrix voor zumbar:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
bijengegons zumbar
bijengezoem zumbar
tuiten boquillas; emboquillados; picos
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
brommen zumbar gruñir; refunfuñar por una cosa
dreinen rezumar; zumbar
drenzen rezumar; zumbar
dwingend huilen rezumar; zumbar
gonzen zumbar
jengelen rezumar; zumbar
op vuur pruttelen balar; borbotear; brotar; dar balidos; estofar; gruñir; guisar; zumbar
pruttelen balar; borbotear; brotar; dar balidos; estofar; gruñir; guisar; zumbar gruñir; refunfuñar por una cosa
ruisen murmurar; silbar; susurrar; zumbar cotorrear; murmurar; susurrar
sakkeren borbotear; burbujear; estar a la sombra; estar en chirona; gruñir; hacer ruidos; refunfuñar; regañar; reprobar; retumbar; rezongar; rugir; zumbar
smoren balar; borbotear; brotar; dar balidos; estofar; gruñir; guisar; zumbar ahogar; apagar; apagarse; asfixiar; estofar; extinguir; extinguirse; guisar; sofocar
stoffen balar; borbotear; brotar; dar balidos; estofar; gruñir; guisar; zumbar desempolvar; despolvar; despolvorear; quitar el polvo de
sudderen balar; borbotear; brotar; dar balidos; estofar; gruñir; guisar; zumbar
suizelen murmurar; silbar; susurrar; zumbar
suizen murmurar; silbar; susurrar; zumbar
tuiten fruncir; zumbar
zoemen zumbar
zoeven zumbar

Synoniemen voor "zumbar":


Wiktionary: zumbar

zumbar
verb
  1. iemand lastigvallen
  2. een vrij zacht continu geluid voortbrengen dat op de z-klank lijkt

Cross Translation:
FromToVia
zumbar brommen; gonzen; razen; snorren; suizelen; suizen; tuiten; zoemen bourdonner — À trier
zumbar spinnen; brommen; gonzen; razen; snorren; suizelen; suizen; tuiten; zoemen ronronnerfaire entendre les ronrons, émettre un ronflement sourd et continu, en parlant d'un chat ou d'un félin, qui exprime en général son contentement.