Overzicht
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. dose:
  2. doser:
  3. dosé:
  4. Wiktionary:


Frans

Uitgebreide vertaling voor dose (Frans) in het Nederlands

dose:

dose [la ~] zelfstandig naamwoord

  1. la dose (portion; part)
    de dosis; de portie
    • dosis [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • portie [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor dose:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
dosis dose; part; portion
portie dose; part; portion bloc; part; portion

Synoniemen voor "dose":


Wiktionary: dose

dose
noun
  1. quantité et proportion déterminées des ingrédients qui entrent dans la composition d’un remède.
dose
noun
  1. hoeveelheid van een geneesmiddel

Cross Translation:
FromToVia
dose doos dose — measured portion of medicine
dose dosering Dosis — genau abgemessene Menge eines Medikaments

dose vorm van doser:

doser werkwoord (dose, doses, dosons, dosez, )

  1. doser (prendre avec modération; appliquer avec modération; ne pas abuser)
    doseren; met mate nemen
  2. doser
    doseren
    • doseren werkwoord (doseer, doseert, doseerde, doseerden, gedoseerd)
  3. doser (équilibrer; balancer; mettre en équilibre)
    balanceren; in evenwicht brengen; uitbalanceren
    • balanceren werkwoord (balanceer, balanceert, balanceerde, balanceerden, gebalanceerd)
    • in evenwicht brengen werkwoord (breng in evenwicht, brengt in evenwicht, bracht in evenwicht, brachten in evenwicht, in evenwicht gebracht)
    • uitbalanceren werkwoord (balanceer uit, balanceert uit, balanceerde uit, balanceerden uit, uitgebalanceerd)

Conjugations for doser:

Présent
  1. dose
  2. doses
  3. dose
  4. dosons
  5. dosez
  6. dosent
imparfait
  1. dosais
  2. dosais
  3. dosait
  4. dosions
  5. dosiez
  6. dosaient
passé simple
  1. dosai
  2. dosas
  3. dosa
  4. dosâmes
  5. dosâtes
  6. dosèrent
futur simple
  1. doserai
  2. doseras
  3. dosera
  4. doserons
  5. doserez
  6. doseront
subjonctif présent
  1. que je dose
  2. que tu doses
  3. qu'il dose
  4. que nous dosions
  5. que vous dosiez
  6. qu'ils dosent
conditionnel présent
  1. doserais
  2. doserais
  3. doserait
  4. doserions
  5. doseriez
  6. doseraient
passé composé
  1. ai dosé
  2. as dosé
  3. a dosé
  4. avons dosé
  5. avez dosé
  6. ont dosé
divers
  1. dose!
  2. dosez!
  3. dosons!
  4. dosé
  5. dosant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor doser:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
doseren dosage
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
balanceren balancer; doser; mettre en équilibre; équilibrer
doseren appliquer avec modération; doser; ne pas abuser; prendre avec modération
in evenwicht brengen balancer; doser; mettre en équilibre; équilibrer
met mate nemen appliquer avec modération; doser; ne pas abuser; prendre avec modération
uitbalanceren balancer; doser; mettre en équilibre; équilibrer aligner; mettre en coordination; équilibrer

Synoniemen voor "doser":


Wiktionary: doser


Cross Translation:
FromToVia
doser doseren dispense — To supply or make up a medicine or prescription

dosé:

dosé bijvoeglijk naamwoord

  1. dosé
    gedoseerd

Vertaal Matrix voor dosé:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gedoseerd dosé

Synoniemen voor "dosé":


Verwante vertalingen van dose