Overzicht
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. sucre:
  2. sucré:
  3. sucrer:
  4. Wiktionary:


Frans

Uitgebreide vertaling voor sucre (Frans) in het Nederlands

sucre:

sucre [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le sucre
    de suiker
    • suiker [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor sucre:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
suiker sucre

Synoniemen voor "sucre":


Wiktionary: sucre

sucre
noun
  1. Substance alimentaire
sucre
noun
  1. zoetstof

Cross Translation:
FromToVia
sucre suiker Zucker — ein aus Pflanzen gewonnenes, süß schmeckendes Nahrungsmittel
sucre suiker sugar — sucrose from sugar cane or sugar beet and used to sweeten food and drink

sucré:

sucré bijvoeglijk naamwoord

  1. sucré
    zoet; gesuikerd
  2. sucré (doux)
    zoet; zoetsmakend
  3. sucré (douceâtre; doucereux; tout sucre tout miel)
    suikerzoet
  4. sucré (comme du sucre)
    suikerig; suikerachtig

Vertaal Matrix voor sucré:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
gesuikerd sucré
suikerachtig comme du sucre; sucré
suikerig comme du sucre; sucré
suikerzoet doucereux; douceâtre; sucré; tout sucre tout miel
zoet doux; sucré avec honnêteté; bien; exemplaire; honnête; intègre; sage; sagement; vertueux
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
zoetsmakend doux; sucré

Synoniemen voor "sucré":


Wiktionary: sucré

sucré
adjective
  1. Qui a un goût de sucre.

Cross Translation:
FromToVia
sucré zoet sweet — having a taste of sugar
sucré zoet sweet — containing a sweetening ingredient
sucré zoet süßGeschmacksrichtung von Zucker oder Honig

sucre vorm van sucrer:

sucrer werkwoord (sucre, sucres, sucrons, sucrez, )

  1. sucrer
  2. sucrer (édulcorer; confire; dulcifier)
    zoeten; zoetmaken
    • zoeten werkwoord (zoet, zoette, zoetten, gezoet)
    • zoetmaken werkwoord (maak zoet, maakt zoet, maakte zoet, maakten zoet, zoet gemaakt)
  3. sucrer (confire)
    besuikeren; insuikeren
    • besuikeren werkwoord (besuiker, besuikert, besuikerde, besuikerden, besuikerd)
    • insuikeren werkwoord (suiker in, suikert in, suikerde in, suikerden in, ingesuikerd)

Conjugations for sucrer:

Présent
  1. sucre
  2. sucres
  3. sucre
  4. sucrons
  5. sucrez
  6. sucrent
imparfait
  1. sucrais
  2. sucrais
  3. sucrait
  4. sucrions
  5. sucriez
  6. sucraient
passé simple
  1. sucrai
  2. sucras
  3. sucra
  4. sucrâmes
  5. sucrâtes
  6. sucrèrent
futur simple
  1. sucrerai
  2. sucreras
  3. sucrera
  4. sucrerons
  5. sucrerez
  6. sucreront
subjonctif présent
  1. que je sucre
  2. que tu sucres
  3. qu'il sucre
  4. que nous sucrions
  5. que vous sucriez
  6. qu'ils sucrent
conditionnel présent
  1. sucrerais
  2. sucrerais
  3. sucrerait
  4. sucrerions
  5. sucreriez
  6. sucreraient
passé composé
  1. ai sucré
  2. as sucré
  3. a sucré
  4. avons sucré
  5. avez sucré
  6. ont sucré
divers
  1. sucre!
  2. sucrez!
  3. sucrons!
  4. sucré
  5. sucrant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor sucrer:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
besuikeren confire; sucrer
insuikeren confire; sucrer
met suiker doordrenken sucrer
zoeten confire; dulcifier; sucrer; édulcorer
zoetmaken confire; dulcifier; sucrer; édulcorer

Synoniemen voor "sucrer":


Wiktionary: sucrer

sucrer
verb
  1. zoet maken

Cross Translation:
FromToVia
sucrer suikeren zuckern — mit Zucker süßen; Zucker hinzufügen

Verwante vertalingen van sucre