Overzicht
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. visser:
  2. Wiktionary:
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. visser:
  2. Wiktionary:


Frans

Uitgebreide vertaling voor visser (Frans) in het Nederlands

visser:

visser werkwoord (visse, visses, vissons, vissez, )

  1. visser (serrer; resserrer)
    schroeven
  2. visser
    inschroeven; indraaien
    • inschroeven werkwoord (schroef in, schroeft in, schroefde in, schroefden in, ingeschroefd)
    • indraaien werkwoord (draai in, draait in, draaide in, draaiden in, ingedraaid)
  3. visser (serrer; resserrer; serrer la vis)
    vastschroeven; dichtschroeven
    • vastschroeven werkwoord (schroef vast, schroeft vast, schroefte vast, schroeften vast, vastgeschroefd)
    • dichtschroeven werkwoord (schroef dicht, schroeft dicht, schroefde dicht, schroefden dicht, dichtgeschroefd)
  4. visser (fixer; serrer)
    door draaien vastmaken; aandraaien
  5. visser (serrer; serrer le vis)
    vastschroeven; aanschroeven
    • vastschroeven werkwoord (schroef vast, schroeft vast, schroefte vast, schroeften vast, vastgeschroefd)
    • aanschroeven werkwoord (schroef aan, schroeft aan, schroefde aan, schroefden aan, aangeschroefd)

Conjugations for visser:

Présent
  1. visse
  2. visses
  3. visse
  4. vissons
  5. vissez
  6. vissent
imparfait
  1. vissais
  2. vissais
  3. vissait
  4. vissions
  5. vissiez
  6. vissaient
passé simple
  1. vissai
  2. vissas
  3. vissa
  4. vissâmes
  5. vissâtes
  6. vissèrent
futur simple
  1. visserai
  2. visseras
  3. vissera
  4. visserons
  5. visserez
  6. visseront
subjonctif présent
  1. que je visse
  2. que tu visses
  3. qu'il visse
  4. que nous vissions
  5. que vous vissiez
  6. qu'ils vissent
conditionnel présent
  1. visserais
  2. visserais
  3. visserait
  4. visserions
  5. visseriez
  6. visseraient
passé composé
  1. ai vissé
  2. as vissé
  3. a vissé
  4. avons vissé
  5. avez vissé
  6. ont vissé
divers
  1. visse!
  2. vissez!
  3. vissons!
  4. vissé
  5. vissant
1. je, 2. tu, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Vertaal Matrix voor visser:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aanschroeven serrer; visser
dichtschroeven serrage; vissage
vastschroeven serrer; visser serrage; vissage
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aandraaien fixer; serrer; visser enclencher; faire fonctionner; mettre en circuit; mettre en marche
aanschroeven serrer; serrer le vis; visser
dichtschroeven resserrer; serrer; serrer la vis; visser
door draaien vastmaken fixer; serrer; visser
indraaien visser
inschroeven visser
schroeven resserrer; serrer; visser
vastschroeven resserrer; serrer; serrer la vis; serrer le vis; visser

Synoniemen voor "visser":


Wiktionary: visser

visser
verb
  1. Attacher, fixer avec des vis.
visser
verb
  1. vaster draaien
  2. het in- of uitdraaien van een schroef

Cross Translation:
FromToVia
visser aanschroeven; vastschroeven anschraubentransitiv: etwas mit einer Schraube befestigen oder zusammensetzen
visser schroeven; vijzen schrauben — (transitiv) Schrauben oder Ähnliches hinein- oder herausdrehen
visser schroeven; vijzen screw — to connect or assemble pieces using a screw

Verwante vertalingen van visser



Nederlands

Uitgebreide vertaling voor visser (Nederlands) in het Frans

visser:

visser [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de visser (sportvisser; hengelaar)
    le pêcheur sportif
  2. de visser
    pêcheur

Vertaal Matrix voor visser:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
pêcheur visser
pêcheur sportif hengelaar; sportvisser; visser

Verwante woorden van "visser":

  • vissers, vissertje, vissertjes

Wiktionary: visser

visser
noun
  1. iemand die beroepsmatig vist
visser
noun
  1. Celui, celle qui fait métier et profession de pêcher, ou qui a le goût et l’habitude de la pêche.

Cross Translation:
FromToVia
visser pêcheur Fischer — ein Arbeiter oder auch Selbstständiger, der den erwerbsmäßigen Fang von Fischen betreibt