Overzicht
Frans naar Nederlands:   Meer gegevens...
  1. dépit:
  2. Wiktionary:


Frans

Uitgebreide vertaling voor dépit (Frans) in het Nederlands

dépit:

dépit [le ~] zelfstandig naamwoord

  1. le dépit (rancune; ressentiment; haine; )
    de vijandschap; de vete
    • vijandschap [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord
    • vete [de ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor dépit:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
vete aigreur; animosité; dépit; haine; hostilité; inimitié; rancune; ressentiment discorde; division; désunion; zizanie
vijandschap aigreur; animosité; dépit; haine; hostilité; inimitié; rancune; ressentiment animosité; haine; hostilité; rancune

Synoniemen voor "dépit":


Wiktionary: dépit

dépit
noun
  1. chagrin mêlé d’un peu de colère, d’irritation.

Cross Translation:
FromToVia
dépit boosaardigheid; wrok spite — ill-will or hatred toward another; a desire to vex or injure
dépit ergernis; droefheid; ascese; irritatie spite — vexation, chagrin, mortification

Verwante vertalingen van dépit