Nederlands

Uitgebreide vertaling voor bescheidenheid (Nederlands) in het Duits

bescheidenheid:

bescheidenheid [de ~ (v)] zelfstandig naamwoord

  1. de bescheidenheid (onderdanigheid; nederigheid; onderworpenheid)
    die Bescheidenheit; die Unterwürfigkeit; die Untertänigkeit
  2. de bescheidenheid (pretentieloosheid)
    die Bescheidenheit; die Einfalt; die Schlichtheit; die Genügsamkeit; die Anspruchslosigkeit

bescheidenheid [de ~] zelfstandig naamwoord

  1. de bescheidenheid (pretentieloosheid)
    die Bescheidenheit; Anspruchslosheit

Vertaal Matrix voor bescheidenheid:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Anspruchslosheit bescheidenheid; pretentieloosheid
Anspruchslosigkeit bescheidenheid; pretentieloosheid dienst; eenvoud; gedienstige handeling; gedienstigheid; simpelheid; soberheid; voorkomendheid
Bescheidenheit bescheidenheid; nederigheid; onderdanigheid; onderworpenheid; pretentieloosheid dienst; eenvoud; eenvoudigheid; gedienstige handeling; gedienstigheid; simpelheid; soberheid; voorkomendheid
Einfalt bescheidenheid; pretentieloosheid argeloosheid; dwaasheid; eenvoud; gekheid; gekkigheid; gekte; idioterie; kinderlijkheid; natuurlijkheid; naïveteit; naïviteit; onbedorvenheid; ongekunsteldheid; onnozelheid; onschuld; simpelheid; soberheid; zotheid
Genügsamkeit bescheidenheid; pretentieloosheid dienst; eenvoud; eenvoudigheid; gedienstige handeling; gedienstigheid; genoegzaamheid; simpelheid; tevredenheid; voorkomendheid
Schlichtheit bescheidenheid; pretentieloosheid argeloosheid; eenvoud; kinderlijkheid; naïveteit; naïviteit; onbedorvenheid; onnozelheid; onschuld; simpelheid; soberheid
Untertänigkeit bescheidenheid; nederigheid; onderdanigheid; onderworpenheid
Unterwürfigkeit bescheidenheid; nederigheid; onderdanigheid; onderworpenheid serviliteit; slaafsheid; submissie

Verwante woorden van "bescheidenheid":


Wiktionary: bescheidenheid

bescheidenheid
noun
  1. das Zurückzunehmen der eigenen Interessen gegenüber einer höheren Macht oder gegenüber einer Gemeinschaft
  2. unaufdringliche Zurückhaltung

Cross Translation:
FromToVia
bescheidenheid Bescheidenheit modesty — the quality of being modest
bescheidenheid Bescheidenheit; Demut modestieretenue dans la manière de penser et de parler de soi.

bescheiden:

bescheiden bijvoeglijk naamwoord

  1. bescheiden (ootmoedig; nederig; onderdanig)
    demütig; bescheiden; einfach
  2. bescheiden (gering; onaanzienlijk; onbetekenend; nietig)
    bescheiden; niedrig; unbedeutend; anspruchslos
  3. bescheiden (niet hoogmoedig; nederig)
    bescheiden; nicht hochmütig; einfach; schlicht
  4. bescheiden (discreet; discrete; kies; ingetogen)
    diskret; bescheiden; schlicht; einfach
  5. bescheiden (van eenvoudige komaf; eenvoudig; nederig; niet voornaam)
    niedrige; bescheiden; einfach; einfacher Herkunft

bescheiden [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de bescheiden (documenten)
    die Unterlagen; die Scheine

Vertaal Matrix voor bescheiden:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Scheine bescheiden; documenten bankbiljetten; bewijsstukken; bonnen; briefjes; flappen; kassabonnen
Unterlagen bescheiden; documenten aktes; bewijsstukken; certificaten; documenten; stukken
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
anspruchslos bescheiden; gering; nietig; onaanzienlijk; onbetekenend dunnetjes; eenvoudig; gemakkelijk; in een handomdraai; licht; lichtwegend; magertjes; makkelijk; moeiteloos; natuurlijk; niet moeilijk; ongekunsteld; pretentieloos; schraal; schraaltjes; simpel; sobertjes; vanzelf; zonder moeite; zonder pretenties
bescheiden bescheiden; discreet; discrete; eenvoudig; gering; ingetogen; kies; nederig; niet hoogmoedig; niet voornaam; nietig; onaanzienlijk; onbetekenend; onderdanig; ootmoedig; van eenvoudige komaf
demütig bescheiden; nederig; onderdanig; ootmoedig deemoedig
diskret bescheiden; discreet; discrete; ingetogen; kies afzonderlijk; apart
einfach bescheiden; discreet; discrete; eenvoudig; ingetogen; kies; nederig; niet hoogmoedig; niet voornaam; onderdanig; ootmoedig; van eenvoudige komaf aangenaam; comfortabel; domweg; dunnetjes; echt; eenvoudig; eenvoudigweg; gangbaar; gebruikelijk; gemakkelijk; gemeen; geriefelijk; gewoon; gewoonweg; heus; in een handomdraai; ingetogen; klinkklaar; kortweg; laag; laag-bij-de-grond; laaghartig; licht; lichtwegend; magertjes; makkelijk; matig; moeiteloos; natuurlijk; niet moeilijk; normaal; onedel; ongecompliceerd; ongekunsteld; puur; rechttoe; regelrecht; ronduit; schraal; schraaltjes; simpel; simpelweg; sober; sobertjes; stemmig; vanzelf; werkelijk; zo maar; zomaar; zonder moeite; zonder pretenties
einfacher Herkunft bescheiden; eenvoudig; nederig; niet voornaam; van eenvoudige komaf
nicht hochmütig bescheiden; nederig; niet hoogmoedig
niedrig bescheiden; gering; nietig; onaanzienlijk; onbetekenend arm; inferieur; laag; laagstaand; minderwaardig; niet hoog; ondermaats; ondeugdelijk; ploertig; slecht; tweederangs; zwak
niedrige bescheiden; eenvoudig; nederig; niet voornaam; van eenvoudige komaf
schlicht bescheiden; discreet; discrete; ingetogen; kies; nederig; niet hoogmoedig dunnetjes; eenvoudig; gemakkelijk; glad neerliggend; in een handomdraai; ingetogen; licht; magertjes; makkelijk; matig; moeiteloos; natuurlijk; niet moeilijk; ongecompliceerd; ongekunsteld; schraal; schraaltjes; simpel; sluik; sober; sobertjes; stemmig; vanzelf; zonder moeite; zonder pretenties
unbedeutend bescheiden; gering; nietig; onaanzienlijk; onbetekenend beuzelachtig; futiel; marginaal; matig; middelmatig; min; niet al te best; nietsbetekenend; nietszeggend; onbeduidend; onbelangrijk; onbenullig; onbetekenend; triviaal; weinigzeggend; zwak; zwakjes

Verwante woorden van "bescheiden":

  • bescheidenheid, bescheidener, bescheidenere, bescheidenst, bescheidenste

Antoniemen van "bescheiden":

  • patserig

Verwante definities voor "bescheiden":

  1. je niet op de voorgrond plaatsen1
    • Ahmed is altijd zo bescheiden!1
  2. niet groot, niet veel1
    • we namen een bescheiden hoeveelheid koekjes1

Wiktionary: bescheiden

bescheiden
adjective
  1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
bescheiden
  1. einfach, schlicht, unluxuriös
  2. zurückhaltend; seine Erfolge oder sein Können in Erzählungen schmälernd oder nicht erwähnend

Cross Translation:
FromToVia
bescheiden verschämt coy — archaic: quiet, reserved, modest
bescheiden bescheiden; demütig humble — thinking lowly of one's self
bescheiden bescheiden; einfach humble — near the ground
bescheiden bescheiden modest — not bragging or boasting about oneself or one's achievements
bescheiden annahmebereit; empfangsbereit; gern Aufnahme gewärend; empfänglich; mäßig; zugänglich abordable — rare|fr Qu’on peut aborder.
bescheiden diskret; verschwiegen; rücksichtsvoll; unstetig; sprunghaft discret — Qui est réservé, retenu dans ses paroles et dans ses actions.
bescheiden anspruchslos; bescheiden modeste — Qui a de la retenue, de la modération, qui ne donner dans aucun excès.