Nederlands

Uitgebreide vertaling voor bijmengen (Nederlands) in het Duits

bijmengen:

bijmengen werkwoord (meng bij, mengt bij, mengde bij, mengden bij, bijgemengd)

  1. bijmengen (aan mengsel toevoegen)
    hinzufügen; zufügen; anfügen; beifügen; beimischen; hinzukommen; beigeben; hinzulegen; hinzumengen; hineintun; hinzumischen
    • hinzufügen werkwoord (füge hinzu, fügst hinzu, fügt hinzu, fügte hinzu, fügtet hinzu, hinzugefügt)
    • zufügen werkwoord (füge zu, fügst zu, fügt zu, fügte zu, fügtet zu, zugefügt)
    • anfügen werkwoord (füge an, fügst an, fügt an, fügte an, fügtet an, angefügt)
    • beifügen werkwoord (füge bei, fügst bei, fügt bei, fügte bei, fügtet bei, beigefügt)
    • beimischen werkwoord (mische bei, mischt bei, mischte bei, mischtet bei, beigemischt)
    • hinzukommen werkwoord (komme hinzu, kommst hinzu, kommt hinzu, kam hinzu, kamt hinzu, hinzugekommen)
    • beigeben werkwoord (gebe bei, gibst bei, gibt bei, gab bei, gabt bei, beigegeben)
    • hinzulegen werkwoord (lege hinzu, legst hinzu, legt hinzu, legte hinzu, legtet hinzu, hinzugelegt)
    • hinzumengen werkwoord (menge hinzu, mengst hinzu, mengt hinzu, mengte hinzu, mengtet hinzu, hinzugemengt)
    • hineintun werkwoord (tue hinein, tust hinein, tut hinein, tat hinein, tatet hinein, hineingetan)
    • hinzumischen werkwoord (mische hinzu, mischst hinzu, mischt hinzu, mischte hinzu, mischtet hinzu, hinzugemischt)

Conjugations for bijmengen:

o.t.t.
  1. meng bij
  2. mengt bij
  3. mengt bij
  4. mengen bij
  5. mengen bij
  6. mengen bij
o.v.t.
  1. mengde bij
  2. mengde bij
  3. mengde bij
  4. mengden bij
  5. mengden bij
  6. mengden bij
v.t.t.
  1. heb bijgemengd
  2. hebt bijgemengd
  3. heeft bijgemengd
  4. hebben bijgemengd
  5. hebben bijgemengd
  6. hebben bijgemengd
v.v.t.
  1. had bijgemengd
  2. had bijgemengd
  3. had bijgemengd
  4. hadden bijgemengd
  5. hadden bijgemengd
  6. hadden bijgemengd
o.t.t.t.
  1. zal bijmengen
  2. zult bijmengen
  3. zal bijmengen
  4. zullen bijmengen
  5. zullen bijmengen
  6. zullen bijmengen
o.v.t.t.
  1. zou bijmengen
  2. zou bijmengen
  3. zou bijmengen
  4. zouden bijmengen
  5. zouden bijmengen
  6. zouden bijmengen
diversen
  1. meng bij!
  2. mengt bij!
  3. bijgemengd
  4. bijmengend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor bijmengen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
anfügen aanvoegen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
anfügen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijrekenen; bijsluiten; bijtellen; bijvoegen; erbij tellen; erbij voegen; insluiten; optellen; toevoegen
beifügen aan mengsel toevoegen; bijmengen aansluiten; bijdoen; bijrekenen; bijsluiten; bijtellen; bijvoegen; erbij doen; erbij optellen; erbij tellen; erbij voegen; insluiten; optellen; toevoegen; voegen
beigeben aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijrekenen; bijsluiten; bijtellen; bijvoegen; erbij tellen; erbij voegen; optellen; toevoegen
beimischen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; erbij voegen; toevoegen
hineintun aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; doen in; erbij voegen; inbrengen; indoen; instoppen; toevoegen
hinzufügen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijrekenen; bijsluiten; bijtellen; bijvoegen; erbij optellen; erbij tellen; erbij voegen; insluiten; optellen; toevoegen
hinzukommen aan mengsel toevoegen; bijmengen betreden; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; ingaan
hinzulegen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijbetalen; bijdoen; bijleggen; bijsluiten; bijvoegen; erbij voegen; toevoegen
hinzumengen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; erbij voegen; toevoegen
hinzumischen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; erbij voegen; toevoegen
zufügen aan mengsel toevoegen; bijmengen bijdoen; bijsluiten; bijvoegen; erbij doen; erbij voegen; toebrengen; toevoegen; voegen