Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. etter:
  2. etteren:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor etter (Nederlands) in het Duits

etter:

etter [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de etter (etterbak)
    der Dreckskerl
  2. de etter (pus)
    der Eiter
    • Eiter [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor etter:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Dreckskerl etter; etterbak dreumes; drol; eikel; ellendeling; heikneuter; hond; hork; hufter; kaffer; kinkel; klier; klojo; klootzak; kort en dik persoon; kreng; lomperd; lul; mispunt; oetlul; onderkruipsel; proleet; propje; rotvent; schobbejak; schoelje; schoft; schurk; smeerlap; snertvent; sodemieter; stuk ongeluk; vlegel
Eiter etter; pus afscheiding; wondvocht

Verwante woorden van "etter":

  • etteren, etters, ettertje, ettertjes

Wiktionary: etter

etter
noun
  1. wittig vocht met witte bloedlichaampjes en bacteriën dat bij een ontsteking afgescheiden wordt

Cross Translation:
FromToVia
etter Eiter pus — fluid found in regions of infection

etter vorm van etteren:

etteren werkwoord (etter, ettert, etterde, etterden, geëtterd)

  1. etteren (vervelend doen)
    nerven
  2. etteren (griepen; zeiken; klieren)
    jammern; nörgeln; quaken; wehklagen; klagen; trödeln; eitern; klonen; leinern; sichekligbenehmen; zwicken; wimmern; winseln; vergraulen; faseln; flennen; greinen; wegekeln
    • jammern werkwoord (jammre, jammerst, jammert, jammerte, jammertet, gejammert)
    • nörgeln werkwoord (nörgele, nörgelst, nörgelt, nörgelte, nörgeltet, genörgelt)
    • quaken werkwoord (quake, quakst, quakt, quakte, quaktet, gequakt)
    • wehklagen werkwoord (wehklage, wehklagst, wehklagt, wehklagte, wehklagtet, wehgeklagt)
    • klagen werkwoord (klage, klagst, klagt, klagte, klagtet, geklagt)
    • trödeln werkwoord (trödele, trödelst, trödelt, trödelte, trödeltet, getrödelt)
    • eitern werkwoord (eitere, eiterst, eitert, eiterte, eitertet, geeitert)
    • klonen werkwoord (klone, klonst, klont, klonte, klontet, geklont)
    • leinern werkwoord (leinere, leinerst, leinert, leinerte, leinertet, geleinert)
    • sichekligbenehmen werkwoord
    • zwicken werkwoord (zwicke, zwickst, zwickt, zwickte, zwicktet, gezwickt)
    • wimmern werkwoord (wimmere, wimmerst, wimmert, wimmerte, wimmertet, gewimmert)
    • winseln werkwoord (winsele, winselst, winselt, winselte, winseltet, gewinselt)
    • vergraulen werkwoord (vergraule, vergraulst, vergrault, vergraulte, vergraultet, vergrault)
    • faseln werkwoord (fasle, faselst, faselt, faselte, faseltet, gefaselt)
    • flennen werkwoord (flenne, flennst, flennt, flennte, flenntet, geflennt)
    • greinen werkwoord (greine, greinst, greint, greinte, greintet, gegreint)
    • wegekeln werkwoord (ekele weg, ekelst weg, ekelt weg, ekelte weg, ekeltet weg, weggeekelt)
  3. etteren (pus afscheiden)
    eitern
    • eitern werkwoord (eitere, eiterst, eitert, eiterte, eitertet, geeitert)

Conjugations for etteren:

o.t.t.
  1. etter
  2. ettert
  3. ettert
  4. etteren
  5. etteren
  6. etteren
o.v.t.
  1. etterde
  2. etterde
  3. etterde
  4. etterden
  5. etterden
  6. etterden
v.t.t.
  1. heb geëtterd
  2. hebt geëtterd
  3. heeft geëtterd
  4. hebben geëtterd
  5. hebben geëtterd
  6. hebben geëtterd
v.v.t.
  1. had geëtterd
  2. had geëtterd
  3. had geëtterd
  4. hadden geëtterd
  5. hadden geëtterd
  6. hadden geëtterd
o.t.t.t.
  1. zal etteren
  2. zult etteren
  3. zal etteren
  4. zullen etteren
  5. zullen etteren
  6. zullen etteren
o.v.t.t.
  1. zou etteren
  2. zou etteren
  3. zou etteren
  4. zouden etteren
  5. zouden etteren
  6. zouden etteren
diversen
  1. etter!
  2. ettert!
  3. geëtterd
  4. etterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor etteren:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
eitern etteren; griepen; klieren; pus afscheiden; zeiken een eed afleggen; wegpesten; zweren
faseln etteren; griepen; klieren; zeiken babbelen; bazelen; communiceren; een conversatie hebben; ijlen; in contact staan; kakelen; klappen; kletsen; kwebbelen; kwekken; kwetteren; lallen; leuteren; morren; murmeren; ontevreden mompelen; onzin uitkramen; onzin verkopen; praten; raaskallen; snateren; spreken; wartaal spreken; wauwelen; zwammen
flennen etteren; griepen; klieren; zeiken emmeren; grienen; huilen; janken; sniffen; snikken; snotteren; wenen
greinen etteren; griepen; klieren; zeiken bouderen; een pruillip trekken; grienen; huilen; janken; pruilen; snikken; snotteren
jammern etteren; griepen; klieren; zeiken emmeren; huilen; jammeren; jeremiëren; schreien; weeklagen
klagen etteren; griepen; klieren; zeiken bezwaar aantekenen; bezwaar maken; bezwaren; condoleren; een klacht indienen; eisen; jammeren; jeremiëren; klagen; medeleven betuigen; misnoegen uiten; over iets mopperen; reclameren; weeklagen; zeuren; zich beklagen; zijn beklag indienen
klonen etteren; griepen; klieren; zeiken klonen
leinern etteren; griepen; klieren; zeiken
nerven etteren; vervelend doen aandringen; doordrammen; doordrukken; drammen; zeuren
nörgeln etteren; griepen; klieren; zeiken brommen; kankeren; klagen; mopperen; morren; over iets mopperen; pruttelen
quaken etteren; griepen; klieren; zeiken kwaken; kwekken; kwetteren; slissen; snateren
sichekligbenehmen etteren; griepen; klieren; zeiken
trödeln etteren; griepen; klieren; zeiken banjeren; dralen; drentelen; druilen; flaneren; lanterfanten; luieren; lummelen; miezeren; nietsdoen; niksen; rondhangen; sjokken; slenteren; talmen; teuten; treuzelen; voortsukkelen
vergraulen etteren; griepen; klieren; zeiken wegpesten
wegekeln etteren; griepen; klieren; zeiken koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren
wehklagen etteren; griepen; klieren; zeiken huilen; jammeren; jeremiëren; kreunen; schreien; steunen; weeklagen
wimmern etteren; griepen; klieren; zeiken emmeren; jammeren; jeremiëren; kermen; kreunen; steunen; weeklagen
winseln etteren; griepen; klieren; zeiken emmeren; jammeren; jeremiëren; kermen; kreunen; steunen; weeklagen
zwicken etteren; griepen; klieren; zeiken knellen; nijpen; strak zitten

Verwante woorden van "etteren":


Wiktionary: etteren

etteren
verb
  1. intr|nld (medisch, nld) het bij sommige ontstekingen afscheiden van een geelgroen wondvocht (etter)