Nederlands

Uitgebreide vertaling voor gladwrijven (Nederlands) in het Duits

gladwrijven:

gladwrijven werkwoord (wrijf glad, wrijft glad, wreef glad, wreven glad, gladgewreven)

  1. gladwrijven (gladmaken)
    schleifen; schlichten; glätten; polieren; ausrüsten; schaben; scheuern; feilen; schmirgeln; aufpolieren; herausputzen; glattstreichen; abscheuern
    • schleifen werkwoord (schleife, schleifst, schleift, schliff, schlifft, geschliffen)
    • schlichten werkwoord (schlichte, schlichtest, schlichtet, schlichtete, schlichtetet, geschlichtet)
    • glätten werkwoord (glätte, glättest, glättet, glättete, glättetet, geglättet)
    • polieren werkwoord (poliere, polierst, poliert, polierte, poliertet, poliert)
    • ausrüsten werkwoord (rüste aus, rüstest aus, rüstet aus, rüstete aus, rüstetet aus, ausgerüstet)
    • schaben werkwoord (schabe, schabst, schabt, schabte, schabtet, geschabt)
    • scheuern werkwoord (scheuere, scheuerst, scheuert, scheuerte, scheuertet, gescheuert)
    • feilen werkwoord (feile, feilst, feilt, feilte, feiltet, gefeilt)
    • schmirgeln werkwoord (schmirgele, schmirgelst, schmirgelt, schmirgelte, schmirgeltet, geschmirgelt)
    • aufpolieren werkwoord (poliere auf, polierst auf, poliert auf, polierte auf, poliertet auf, aufpoliert)
    • herausputzen werkwoord (putze heraus, putzt heraus, putzte heraus, putztet heraus, herausgeputzt)
    • glattstreichen werkwoord
    • abscheuern werkwoord (scheuere ab, scheuerst ab, scheuert ab, scheuerte ab, scheuertet ab, abgescheuert)

Conjugations for gladwrijven:

o.t.t.
  1. wrijf glad
  2. wrijft glad
  3. wrijft glad
  4. wrijven glad
  5. wrijven glad
  6. wrijven glad
o.v.t.
  1. wreef glad
  2. wreef glad
  3. wreef glad
  4. wreven glad
  5. wreven glad
  6. wreven glad
v.t.t.
  1. heb gladgewreven
  2. hebt gladgewreven
  3. heeft gladgewreven
  4. hebben gladgewreven
  5. hebben gladgewreven
  6. hebben gladgewreven
v.v.t.
  1. had gladgewreven
  2. had gladgewreven
  3. had gladgewreven
  4. hadden gladgewreven
  5. hadden gladgewreven
  6. hadden gladgewreven
o.t.t.t.
  1. zal gladwrijven
  2. zult gladwrijven
  3. zal gladwrijven
  4. zullen gladwrijven
  5. zullen gladwrijven
  6. zullen gladwrijven
o.v.t.t.
  1. zou gladwrijven
  2. zou gladwrijven
  3. zou gladwrijven
  4. zouden gladwrijven
  5. zouden gladwrijven
  6. zouden gladwrijven
en verder
  1. is gladgewreven
  2. zijn gladgewreven
diversen
  1. wrijf glad!
  2. wrijft glad!
  3. gladgewreven
  4. gladwrijvend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor gladwrijven:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
abscheuern gladmaken; gladwrijven afboenen; afkrabben; afschrobben; afschuren; boenen; schoonboenen; schoonschrobben; schrapen; schrappen; schrobben
aufpolieren gladmaken; gladwrijven aandrijven; aansporen; opblinken; opkalefateren; opknappen; opkrikken; oplappen; oppoetsen; opschikken; opsieren; opsmukken; optuigen; opvijzelen; opwekken; opwrijven; poetsen; polijsten; prikkelen; stimuleren; tooien; verfraaien; verluchten; wrijven; zich mooi maken
ausrüsten gladmaken; gladwrijven outilleren; toerusten; uitrusten; zich uitrusten
feilen gladmaken; gladwrijven vijlen
glattstreichen gladmaken; gladwrijven
glätten gladmaken; gladwrijven effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; gladstrijken; planeren; strijken; vereffenen
herausputzen gladmaken; gladwrijven opdirken; opdoffen; opschikken; opsieren; opsmukken; optooien; optuigen; optutten; tooien; uitdossen; verfraaien; verluchten; zich mooi maken; zich uitdossen; zich uitmonsteren
polieren gladmaken; gladwrijven effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; opblinken; oppoetsen; opwrijven; poetsen; polijsten; politoeren; wrijven
schaben gladmaken; gladwrijven afkrabben; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; schrapen; schrappen
scheuern gladmaken; gladwrijven afboenen; afschrobben; boenen; draai om de oren geven; schoonboenen; schoonschrobben; schrobben
schleifen gladmaken; gladwrijven aanzetten; een slepende gang hebben; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; hard drillen; met zich meeslepen; scherp maken; scherpen; slijpen; uitslijpen; wegslijpen; wetten
schlichten gladmaken; gladwrijven afdoen; afhandelen; bedaren; bemiddelen; beslechten; bijleggen; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; ingrijpen; interfereren; interrumperen; interveniëren; kalmeren; meebetalen; schikken; sussen; tot kalmte manen; tussenbeide komen; tussenkomen; twist uit de weg ruimen; verzoenen; vrede sluiten
schmirgeln gladmaken; gladwrijven afschuren; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken