Nederlands

Uitgebreide vertaling voor lonend (Nederlands) in het Duits

lonend:

lonend bijvoeglijk naamwoord

  1. lonend (winstgevend; lucratief; rendabel; )
    vorteilhaft; fruchtbringend; lukrativ; gewinnbringend; profitabel; lohnend; rentabel; einträglich; einbringlich
  2. lonend (de moeite waard)
    die Mühe wert

Vertaal Matrix voor lonend:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
die Mühe wert de moeite waard; lonend
einbringlich lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend verhaalbaar
einträglich lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
fruchtbringend lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
gewinnbringend lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend bevorderlijk; dienstig; gunstig; positief; tot nut
lohnend lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
lukrativ lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
profitabel lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
rentabel lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend
vorteilhaft lonend; lucratief; produktief; profijtelijk; rendabel; voordelig; vruchtbaar; winstgevend

lonend vorm van lonen:

lonen werkwoord (loon, loont, loonde, loonden, geloond)

  1. lonen
    lohnen
    • lohnen werkwoord (lohne, lohnst, lohnt, lohnte, lohntet, gelohnt)

Conjugations for lonen:

o.t.t.
  1. loon
  2. loont
  3. loont
  4. lonen
  5. lonen
  6. lonen
o.v.t.
  1. loonde
  2. loonde
  3. loonde
  4. loonden
  5. loonden
  6. loonden
v.t.t.
  1. heb geloond
  2. hebt geloond
  3. heeft geloond
  4. hebben geloond
  5. hebben geloond
  6. hebben geloond
v.v.t.
  1. had geloond
  2. had geloond
  3. had geloond
  4. hadden geloond
  5. hadden geloond
  6. hadden geloond
o.t.t.t.
  1. zal lonen
  2. zult lonen
  3. zal lonen
  4. zullen lonen
  5. zullen lonen
  6. zullen lonen
o.v.t.t.
  1. zou lonen
  2. zou lonen
  3. zou lonen
  4. zouden lonen
  5. zouden lonen
  6. zouden lonen
diversen
  1. loon!
  2. loont!
  3. geloond
  4. lonend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor lonen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lohnen lonen

Verwante woorden van "lonen":


Wiktionary: lonen


Cross Translation:
FromToVia
lonen lohnen; auszahlen pay — to be profitable
lonen lohnen; belohnen; vergelten récompenserdonner une récompense, faire du bien à quelqu’un en reconnaissance de quelque service, ou en faveur de quelque bonne action.
lonen wert sein; aufwiegen; gelten valoir — Être d’un certain prix, avoir un certain mérite (sens général)