Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. pons:
  2. ponsen:
  3. pon:
  4. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor pons (Nederlands) in het Duits

pons:

pons [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de pons
    der Stempel
    • Stempel [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor pons:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Stempel pons inktstempel; stempel; zegel; zegels

Verwante woorden van "pons":


Wiktionary: pons

pons
noun
  1. instrument dat of machine die gaten slaat in papier, metalen platen e.d.

ponsen:

ponsen werkwoord (pons, ponst, ponste, ponsten, geponst)

  1. ponsen (stansen; doorponsen)
    stanzen; lochen; punzen
    • stanzen werkwoord (stanze, stanzt, stanzte, stanztet, gestanzt)
    • lochen werkwoord (loche, lochst, locht, lochte, lochtet, gelocht)
    • punzen werkwoord (punze, punzst, punzt, punzte, punztet, gepunzt)

Conjugations for ponsen:

o.t.t.
  1. pons
  2. ponst
  3. ponst
  4. ponsen
  5. ponsen
  6. ponsen
o.v.t.
  1. ponste
  2. ponste
  3. ponste
  4. ponsten
  5. ponsten
  6. ponsten
v.t.t.
  1. heb geponst
  2. hebt geponst
  3. heeft geponst
  4. hebben geponst
  5. hebben geponst
  6. hebben geponst
v.v.t.
  1. had geponst
  2. had geponst
  3. had geponst
  4. hadden geponst
  5. hadden geponst
  6. hadden geponst
o.t.t.t.
  1. zal ponsen
  2. zult ponsen
  3. zal ponsen
  4. zullen ponsen
  5. zullen ponsen
  6. zullen ponsen
o.v.t.t.
  1. zou ponsen
  2. zou ponsen
  3. zou ponsen
  4. zouden ponsen
  5. zouden ponsen
  6. zouden ponsen
diversen
  1. pons!
  2. ponst!
  3. geponst
  4. ponsend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor ponsen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lochen doorponsen; ponsen; stansen doordringen; penetreren
punzen doorponsen; ponsen; stansen
stanzen doorponsen; ponsen; stansen

Verwante woorden van "ponsen":


Wiktionary: ponsen

ponsen
verb
  1. gaten in iets (vaak papier of metaal) maken door middel van een pons

Cross Translation:
FromToVia
ponsen lochen; durchbohren; bohren; durchlöchern percer — Traverser en faisant un trou, une ouverture. (Sens général).

pons vorm van pon:

pon [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de pon (nachtjapon)
    Nachthemd

Vertaal Matrix voor pon:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Nachthemd nachtjapon; pon nachthemd

Verwante woorden van "pon":

  • ponnen, ponen, pons