Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. spitten:
  2. spit:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor spitten (Nederlands) in het Duits

spitten:

spitten werkwoord (spit, spitte, spitten, gespit)

  1. spitten (omploegen; omspitten; omwerken; ploegen; omgraven)
    umpflügen; unterpflügen
    • umpflügen werkwoord (pflüge um, pflügst um, pflügt um, pflügte um, pflügtet um, umgepflügt)
    • unterpflügen werkwoord

Conjugations for spitten:

o.t.t.
  1. spit
  2. spit
  3. spit
  4. spitten
  5. spitten
  6. spitten
o.v.t.
  1. spitte
  2. spitte
  3. spitte
  4. spitten
  5. spitten
  6. spitten
v.t.t.
  1. heb gespit
  2. hebt gespit
  3. heeft gespit
  4. hebben gespit
  5. hebben gespit
  6. hebben gespit
v.v.t.
  1. had gespit
  2. had gespit
  3. had gespit
  4. hadden gespit
  5. hadden gespit
  6. hadden gespit
o.t.t.t.
  1. zal spitten
  2. zult spitten
  3. zal spitten
  4. zullen spitten
  5. zullen spitten
  6. zullen spitten
o.v.t.t.
  1. zou spitten
  2. zou spitten
  3. zou spitten
  4. zouden spitten
  5. zouden spitten
  6. zouden spitten
en verder
  1. ben gespit
  2. bent gespit
  3. is gespit
  4. zijn gespit
  5. zijn gespit
  6. zijn gespit
diversen
  1. spit!
  2. spit!
  3. gespit
  4. spittend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor spitten:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
umpflügen omgraven; omploegen; omspitten; omwerken; ploegen; spitten
unterpflügen omgraven; omploegen; omspitten; omwerken; ploegen; spitten

Verwante woorden van "spitten":


Wiktionary: spitten


Cross Translation:
FromToVia
spitten graben; wühlen creuser — Faire un trou, un orifice.

spitten vorm van spit:

spit [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het spit
    der Spieß; der Speer
    • Spieß [der ~] zelfstandig naamwoord
    • Speer [der ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor spit:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Speer spit lans; speer
Spieß spit klem; lans; pen; pin; speer

Verwante woorden van "spit":


Wiktionary: spit

spit
noun
  1. ein Besteck zum durchstoßen („aufspießen“) von Nahrung

Cross Translation:
FromToVia
spit Spieß spit — a rod on which meat is grilled/broiled