Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. uitpuilend:
  2. uitpuilen:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor uitpuilend (Nederlands) in het Duits

uitpuilend:

uitpuilend bijvoeglijk naamwoord

  1. uitpuilend (bolstaand)
    wulstig; aufgebauscht

Vertaal Matrix voor uitpuilend:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aufgebauscht bolstaand; uitpuilend bol; bolstaand; opgebold
wulstig bolstaand; uitpuilend opgezet dier

uitpuilen:

uitpuilen werkwoord (puil uit, puilt uit, puilde uit, puilden uit, uitgepuild)

  1. uitpuilen (puilen)
    herausquellen; ausbeulen; hervorstehen; hervorquellen
    • herausquellen werkwoord (quelle heraus, quellst heraus, quellt heraus, quellte heraus, quelltet heraus, herausgequellt)
    • ausbeulen werkwoord (beule aus, beulst aus, beult aus, beulte aus, beultet aus, ausgebeult)
    • hervorstehen werkwoord (stehe hervor, stehst hervor, stand hervor, standet hervor, hervorgestanden)
    • hervorquellen werkwoord (quelle hervor, quellst hervor, quellt hervor, quellte hervor, quelltet hervor, hervorgequellt)

Conjugations for uitpuilen:

o.t.t.
  1. puil uit
  2. puilt uit
  3. puilt uit
  4. puilen uit
  5. puilen uit
  6. puilen uit
o.v.t.
  1. puilde uit
  2. puilde uit
  3. puilde uit
  4. puilden uit
  5. puilden uit
  6. puilden uit
v.t.t.
  1. heb uitgepuild
  2. hebt uitgepuild
  3. heeft uitgepuild
  4. hebben uitgepuild
  5. hebben uitgepuild
  6. hebben uitgepuild
v.v.t.
  1. had uitgepuild
  2. had uitgepuild
  3. had uitgepuild
  4. hadden uitgepuild
  5. hadden uitgepuild
  6. hadden uitgepuild
o.t.t.t.
  1. zal uitpuilen
  2. zult uitpuilen
  3. zal uitpuilen
  4. zullen uitpuilen
  5. zullen uitpuilen
  6. zullen uitpuilen
o.v.t.t.
  1. zou uitpuilen
  2. zou uitpuilen
  3. zou uitpuilen
  4. zouden uitpuilen
  5. zouden uitpuilen
  6. zouden uitpuilen
en verder
  1. ben uitgepuild
  2. bent uitgepuild
  3. is uitgepuild
  4. zijn uitgepuild
  5. zijn uitgepuild
  6. zijn uitgepuild
diversen
  1. puil uit!
  2. puilt uit!
  3. uitgepuild
  4. uitpuilend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor uitpuilen:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ausbeulen puilen; uitpuilen uitdeuken; uitkloppen
herausquellen puilen; uitpuilen in het hoofd opkomen; omhoogkomen; opstijgen; opvliegen; opwellen
hervorquellen puilen; uitpuilen opborrelen; opwellen
hervorstehen puilen; uitpuilen

Verwante vertalingen van uitpuilend