Overzicht
Nederlands naar Duits:   Meer gegevens...
  1. van plan zijn:
  2. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor van plan zijn (Nederlands) in het Duits

van plan zijn:

van plan zijn werkwoord (ben van plan, bent van plan, was van plan, waren van plan, van plan geweest)

  1. van plan zijn
    betrachten; aufnehmen; auslegen; interpretieren; deuten; auffassen
    • betrachten werkwoord (betrachte, betrachtest, betrachtet, betrachtete, betrachtetet, betrachtet)
    • aufnehmen werkwoord (nehme auf, nimmst auf, nimmt auf, nam auf, namt auf, aufgenommen)
    • auslegen werkwoord (lege aus, legst aus, legt aus, legte aus, legtet aus, ausgelegt)
    • interpretieren werkwoord (interpretiere, interpretierst, interpretiert, interpretierte, interpretiertet, interpretiert)
    • deuten werkwoord (deute, deutest, deutet, deutete, deutetet, gedeutet)
    • auffassen werkwoord (fasse auf, fasst auf, fasste auf, fasstet auf, aufgefaßt)
  2. van plan zijn (voorhebben)
    vorhaben; geplannt haben

Conjugations for van plan zijn:

o.t.t.
  1. ben van plan
  2. bent van plan
  3. bent van plan
  4. zijn van plan
  5. zijn van plan
  6. zijn van plan
o.v.t.
  1. was van plan
  2. was van plan
  3. was van plan
  4. waren van plan
  5. waren van plan
  6. waren van plan
v.t.t.
  1. ben van plan geweest
  2. bent van plan geweest
  3. is van plan geweest
  4. zijn van plan geweest
  5. zijn van plan geweest
  6. zijn van plan geweest
v.v.t.
  1. was van plan geweest
  2. was van plan geweest
  3. was van plan geweest
  4. waren van plan geweest
  5. waren van plan geweest
  6. waren van plan geweest
o.t.t.t.
  1. zal van plan zijn
  2. zult van plan zijn
  3. zal van plan zijn
  4. zullen van plan zijn
  5. zullen van plan zijn
  6. zullen van plan zijn
o.v.t.t.
  1. zou van plan zijn
  2. zou van plan zijn
  3. zou van plan zijn
  4. zouden van plan zijn
  5. zouden van plan zijn
  6. zouden van plan zijn
diversen
  1. ben van plan!
  2. bent van plan!
  3. van plan geweest
  4. van plan zijnd
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor van plan zijn:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
auffassen van plan zijn begrijpen; opvatten
aufnehmen van plan zijn aanvangen; absorberen; beginnen; consumeren; gebruiken; in zich opnemen; incorporeren; inlijven; opnemen; opnemen in groter geheel; oppakken; oppikken; oprapen; opslorpen; opslurpen; opsnappen; starten; van start gaan; verbruiken
auslegen van plan zijn accentueren; belichten; klaar leggen; ophelderen; opklaren; toelichten; uitgooien; uitspreiden; uitwerpen; verduidelijken; verhelderen; verklaren; voorschieten
betrachten van plan zijn aanblikken; aankijken; aanschouwen; aanzien; afwegen; bekijken; beschouwen; bezichtigen; bezien; blikken; blikken werpen; dood kunnen vallen; gadeslaan; inspecteren; kijken; onderscheiden; ontwaren; op het oog hebben; opmerken; overdenken; overwegen; overzien; schouwen; staren; toeschouwen; turen; zien
deuten van plan zijn begrijpelijk maken; duiden; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontvouwen; ontwarren; ophelderen; opklaren; oplossen; toelichten; uit de war halen; uit elkaar halen; uiteenzetten; uitleggen; verduidelijken; verklaren
geplannt haben van plan zijn; voorhebben
interpretieren van plan zijn accentueren; belichten; interpreteren; ophelderen; opklaren; toelichten; verduidelijken; verhelderen; verklaren; vertalen; vertolken
vorhaben van plan zijn; voorhebben zijn zinnen zetten op

Wiktionary: van plan zijn


Cross Translation:
FromToVia
van plan zijn beabsichtigen mean — to intend; plan on doing
van plan zijn planen; vorhaben plan — to intend
van plan zijn beabsichtigen; planen purpose — have set as one's purpose; intend

Verwante vertalingen van van plan zijn