Nederlands

Uitgebreide vertaling voor vleiend (Nederlands) in het Duits

vleiend:

vleiend bijvoeglijk naamwoord

  1. vleiend (complimenteus; flatterend; strelend)
    schmeichelhaft; reizend; umständlich; förmlich; schmeichlerisch; sehrhöflich

Vertaal Matrix voor vleiend:

BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
förmlich complimenteus; flatterend; strelend; vleiend ambtelijk; formeel; officieel; plechtig; plechtstatig; pro forma; statig; vormelijk; zeer plechtig
reizend complimenteus; flatterend; strelend; vleiend aanbiddelijk; aanlokkelijk; aantrekkelijk; aanvallig; aardig; alleraardigst; allerliefst; attractief; begeerenswaardig; beheksend; bekoorlijk; beminnelijk; betoverend; bevallig; charmant; dottig; elegant; enig; fraai; goed ogend; gracieus; knap; leuk; leukjes; lief; lieflijk; mooi; prettig; schattig; sierlijk; snoeperig; snoezig; sympathiek; uitlokkend; uitnodigend; verleidelijk; verlokkend; verrukkelijk; vertederend; verzoekend; welgevallig
schmeichelhaft complimenteus; flatterend; strelend; vleiend flatterend; flatteus; oogstrelend; vleierig
schmeichlerisch complimenteus; flatterend; strelend; vleiend flatterend; flatteus; flemerig; flikflooierig; slijmerig; stroperig; vleierig
sehrhöflich complimenteus; flatterend; strelend; vleiend
umständlich complimenteus; flatterend; strelend; vleiend in details; uitgewerkt

Wiktionary: vleiend


Cross Translation:
FromToVia
vleiend schmeichelnd complimentary — in the nature of a compliment

vleien:

vleien werkwoord (vlei, vleit, vleide, vleiden, gevleid)

  1. vleien (stroop om de mond smeren; kruipen; flikflooien; flatteren; vlemen)
    schmeicheln; flattieren; Honig um den Bart schmieren; schwänzeln
    • schmeicheln werkwoord (schmeichele, schmeichelst, schmeichelt, schmeichelte, schmeicheltet, geschmeichet)
    • flattieren werkwoord (flattiere, flattierst, flattiert, flattierte, flattiertet, flattiert)
    • schwänzeln werkwoord (schwänzele, schwänzelst, schwänzelt, schwänzelte, schwänzeltet, geschwänzelt)

Conjugations for vleien:

o.t.t.
  1. vlei
  2. vleit
  3. vleit
  4. vleien
  5. vleien
  6. vleien
o.v.t.
  1. vleide
  2. vleide
  3. vleide
  4. vleiden
  5. vleiden
  6. vleiden
v.t.t.
  1. heb gevleid
  2. hebt gevleid
  3. heeft gevleid
  4. hebben gevleid
  5. hebben gevleid
  6. hebben gevleid
v.v.t.
  1. had gevleid
  2. had gevleid
  3. had gevleid
  4. hadden gevleid
  5. hadden gevleid
  6. hadden gevleid
o.t.t.t.
  1. zal vleien
  2. zult vleien
  3. zal vleien
  4. zullen vleien
  5. zullen vleien
  6. zullen vleien
o.v.t.t.
  1. zou vleien
  2. zou vleien
  3. zou vleien
  4. zouden vleien
  5. zouden vleien
  6. zouden vleien
diversen
  1. vlei!
  2. vleit!
  3. gevleid
  4. vleiend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

vleien [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. vleien (streling; liefkozing; aanhalen; )
    der Kitzel; Streicheln; die Streicheleinheit; der Reiz; die Liebkosung

Vertaal Matrix voor vleien:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Kitzel aai; aaiing; aanhalen; gestreel; liefkozing; streling; vleien kriebeling
Liebkosung aai; aaiing; aanhalen; gestreel; liefkozing; streling; vleien aanhalen; aanhaling; knuffel; liefkozing; streling
Reiz aai; aaiing; aanhalen; gestreel; liefkozing; streling; vleien aanlokkelijkheid; aanmoediging; aansporing; aantrekkelijkheid; aantrekkingskracht; animering; attractiviteit; bekoorlijkheid; bekoring; betovering; bevalligheid; charme; fascinatie; gratie; impuls; lieflijkheid; lieftalligheid; luim; opwekking; opwelling; prikkel; stimulans; stimulering
Streicheleinheit aai; aaiing; aanhalen; gestreel; liefkozing; streling; vleien aanhalen; aanhaling; knuffel; liefkozing; streling
Streicheln aai; aaiing; aanhalen; gestreel; liefkozing; streling; vleien
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Honig um den Bart schmieren flatteren; flikflooien; kruipen; stroop om de mond smeren; vleien; vlemen flemen; flikflooien
flattieren flatteren; flikflooien; kruipen; stroop om de mond smeren; vleien; vlemen afkleden
schmeicheln flatteren; flikflooien; kruipen; stroop om de mond smeren; vleien; vlemen flemen; flikflooien; lief doen; opwekken; opwinden; prikkelen; stimuleren
schwänzeln flatteren; flikflooien; kruipen; stroop om de mond smeren; vleien; vlemen flemen; flikflooien; kwispelen; kwispelstaarten

Wiktionary: vleien

vleien
verb
  1. mit Dativ: versuchen, jemandem zu gefallen oder jemanden zu beeinflussen, indem man Sachen sagt, die der andere gerne hört, die aber nicht unbedingt der eigenen Meinung entsprechen.

Cross Translation:
FromToVia
vleien schmeicheln butter up — to flatter
vleien schmeicheln fawn — seek favour by flattery
vleien schmeicheln adulerflatter quelqu’un avec excès par bassesse ou par intérêt.
vleien schmeicheln amadouer — (familier, fr) flatter quelqu’un pour le disposer à ce qu’on désirer de lui.