Nederlands

Uitgebreide vertaling voor werkend (Nederlands) in het Duits

werkend:

werkend bijvoeglijk naamwoord

  1. werkend (arbeidend; actief; bedrijvig; )
    beschäftigt; wirksam; tätig; berufstätig; geschäftig; fleißig; strebsam

Vertaal Matrix voor werkend:

Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
beschäftigt actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam actief; bedrijvig; bezet; bezig; doende; druk
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
berufstätig actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam
fleißig actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam actief; arbeidzaam; bedrijvig; bezet; bezig; druk; drukbezet; hardwerkend; ijverig; naarstig; nijver; noest; verwoed; vlijtig
geschäftig actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam actief; bedrijvig; bezet; bezig; druk; drukbezet
strebsam actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam strevend
tätig actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam
wirksam actief; arbeidend; arbeidzaam; bedrijvig; bezig; werkend; werkzaam afdoend; beslissend; overtuigend


werken:

werken werkwoord (werk, werkt, werkte, werkten, gewerkt)

  1. werken (arbeiden)
    arbeiten; verrichten; tun
    • arbeiten werkwoord (arbeite, arbeitest, arbeitet, arbeitete, arbeitetet, gearbeitet)
    • verrichten werkwoord (verrichte, verrichtest, verrichtet, verrichtete, verrichtetet, verrichtet)
    • tun werkwoord (tue, tuest, tut, tat, tatet, getan)
  2. werken
    arbeiten
    • arbeiten werkwoord (arbeite, arbeitest, arbeitet, arbeitete, arbeitetet, gearbeitet)
  3. werken (te werk gaan; opereren; manipuleren; )
    funktionieren; vorgehen; arbeiten; tun
    • funktionieren werkwoord (funktioniere, funktionierst, funktioniert, funktionierte, funktioniertet, funktioniert)
    • vorgehen werkwoord (gehe vor, gehst vor, geht vor, gang vor, ganget vor, vorgegangen)
    • arbeiten werkwoord (arbeite, arbeitest, arbeitet, arbeitete, arbeitetet, gearbeitet)
    • tun werkwoord (tue, tuest, tut, tat, tatet, getan)

Conjugations for werken:

o.t.t.
  1. werk
  2. werkt
  3. werkt
  4. werken
  5. werken
  6. werken
o.v.t.
  1. werkte
  2. werkte
  3. werkte
  4. werkten
  5. werkten
  6. werkten
v.t.t.
  1. heb gewerkt
  2. hebt gewerkt
  3. heeft gewerkt
  4. hebben gewerkt
  5. hebben gewerkt
  6. hebben gewerkt
v.v.t.
  1. had gewerkt
  2. had gewerkt
  3. had gewerkt
  4. hadden gewerkt
  5. hadden gewerkt
  6. hadden gewerkt
o.t.t.t.
  1. zal werken
  2. zult werken
  3. zal werken
  4. zullen werken
  5. zullen werken
  6. zullen werken
o.v.t.t.
  1. zou werken
  2. zou werken
  3. zou werken
  4. zouden werken
  5. zouden werken
  6. zouden werken
diversen
  1. werk!
  2. werkt!
  3. gewerkt
  4. werkend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

werken [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het werken (werking)
    die Wirkung; der Erfolg
    • Wirkung [die ~] zelfstandig naamwoord
    • Erfolg [der ~] zelfstandig naamwoord
  2. het werken (functioneren)
    Funktionieren; Arbeiten; die Tätigkeit

Vertaal Matrix voor werken:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
Arbeiten functioneren; werken werkzaamheden
Erfolg werken; werking bestseller; fortuintje; gelukken; heil; hit; huiduitslag; lukken; mazzel; meevaller; slagen; succes; uitslag; voorspoed; voorspoedigheid; welslagen; welzijn
Funktionieren functioneren; werken
Tätigkeit functioneren; werken activiteit; ambacht; arbeid; arbeidskracht; arbeidsvermogen; bedrijvigheid; bezigheid; effect; hobby; inspanning; job; karwei; karweitje; klusje; krachttoer; roerigheid; taak; uitwerking; vak; werk; werkkracht; werkvermogen; werkzaamheid
Wirkung werken; werking aanslag; effect; effecten; gevolg; gevolgen; impact; resultaat; uitwerking
- doen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arbeiten arbeiden; handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken
funktionieren handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken dienst doen; functioneren
tun arbeiden; handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken aanwenden; ageren; benutten; doen; functioneren; gebruik maken van; gebruiken; handelen; in het leven roepen; maken; scheppen; toepassen; uitrichten; uitvoeren; verrichten
verrichten arbeiden; werken aanwenden; benutten; doen; een prestatie leveren; functioneren; gebruik maken van; gebruiken; handelen; presteren; toepassen; uitrichten; uitvoeren; verrichten
vorgehen handelen; leven; manipuleren; opereren; optreden; procederen; te werk gaan; werken voorrang hebben
- functioneren

Verwante woorden van "werken":


Synoniemen voor "werken":


Antoniemen van "werken":


Verwante definities voor "werken":

  1. het werk verrichten waarvoor het bedoeld is1
    • het koffieapparaat werkt weer1
  2. bezig zijn om geld te verdienen1
    • mijn vader werkt halve dagen1
  3. een taak verrichten, iets doen1
    • Anne werkt hard voor het proefwerk1
  4. effect of invloed hebben1
    • die pillen werken goed1
  5. langzaam krimpen, uitzetten enz.1
    • de houten vloer werkt nog een beetje1

Wiktionary: werken

werken
verb
  1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen
  2. functioneren, draaien
werken
  1. von technischen Einrichtungen und: funktionstüchtig sein oder angeschaltet sein
verb
  1. einen bestimmten Firmennamen benutzen und mit diesem unterzeichnen
  2. erwerbstätig sein, tätig sein, schöpferisch tätig sein
  3. (häufig, in regelmäßigen Abständen) den Aufenthaltsort wechseln

Cross Translation:
FromToVia
werken wirken; auswirken; agieren act — to have an effect on
werken schuften; sich plagen; sich quälen toil — to labour, to work
werken arbeiten work — to do a specific task
werken funktionieren; wirken work — function correctly
werken Arbeiten works — Plural form of work
werken arbeiten bosser — France|fr popu|fr travailler.
werken aufschieben; fristen; stunden; vertagen; verzögern; verschieden sein; variieren; schwanken; abwechseln; wechseln; abweichen; differieren; sich unterscheiden différer — Traductions à trier suivant le sens
werken funktionieren fonctionneraccomplir sa fonction, en parlant d’un mécanisme, d’un organe, etc.
werken operieren; machen; tun; stellen; bereiten; wirken; einwirken; erwirken; wirksam sein; Wirkung ausüben; agieren; handeln; verfahren; vorgehen; tätig sein; sich verhalten opéreraccomplir une œuvre, produire un effet.
werken arbeiten taffer — (argot) travailler.
werken arbeiten travailler — Fournir un travail

Verwante vertalingen van werkend