Overzicht
Nederlands naar Engels:   Meer gegevens...
  1. schooieren:
  2. schooier:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor schooieren (Nederlands) in het Engels

schooieren:

schooieren werkwoord (schooier, schooiert, schooierde, schooierden, geschooierd)

  1. schooieren
    cadge

Conjugations for schooieren:

o.t.t.
  1. schooier
  2. schooiert
  3. schooiert
  4. schooieren
  5. schooieren
  6. schooieren
o.v.t.
  1. schooierde
  2. schooierde
  3. schooierde
  4. schooierden
  5. schooierden
  6. schooierden
v.t.t.
  1. heb geschooierd
  2. hebt geschooierd
  3. heeft geschooierd
  4. hebben geschooierd
  5. hebben geschooierd
  6. hebben geschooierd
v.v.t.
  1. had geschooierd
  2. had geschooierd
  3. had geschooierd
  4. hadden geschooierd
  5. hadden geschooierd
  6. hadden geschooierd
o.t.t.t.
  1. zal schooieren
  2. zult schooieren
  3. zal schooieren
  4. zullen schooieren
  5. zullen schooieren
  6. zullen schooieren
o.v.t.t.
  1. zou schooieren
  2. zou schooieren
  3. zou schooieren
  4. zouden schooieren
  5. zouden schooieren
  6. zouden schooieren
en verder
  1. ben geschooierd
  2. bent geschooierd
  3. is geschooierd
  4. zijn geschooierd
  5. zijn geschooierd
  6. zijn geschooierd
diversen
  1. schooier!
  2. schooiert!
  3. geschooierd
  4. schooierend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

schooieren [znw.] zelfstandig naamwoord

  1. schooieren
    the cadging
    • cadging [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor schooieren:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
cadging schooieren afbedelen; afsmeken; aftroggelen; bedelen; bietsen; inpikken; klaploperij; schooien
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
cadge schooieren achteroverdrukken; afbedelen; afnemen; afpakken; aftroggelen; benemen; bietsen; gappen; grissen; inpikken; jatten; kapen; klaplopen; leegstelen; ontfutselen; ontnemen; ontvreemden; op iemands zak teren; parasiteren; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken

Verwante woorden van "schooieren":


schooier:

schooier [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de schooier (sloeber)
    the slob; the wretch; the prole
    • slob [the ~] zelfstandig naamwoord
    • wretch [the ~] zelfstandig naamwoord
    • prole [the ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor schooier:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
prole schooier; sloeber hork; kinkel; lomperd; proleet; vlegel
slob schooier; sloeber hork; kinkel; lomperd; proleet; slodder; slodderkous; sloddervos; slons; smeerlap; viezerik; vlegel; zwijn
wretch schooier; sloeber drommel; ellendeling; etter; etterbak; galbak; geitenbreier; klier; kreng; lammeling; lamzak; lanterfanter; lapzwans; leegloper; lijntrekker; mispunt; nietsnut; ongelukkige; schoft; schurk; slampamper; slapkous; smeerlap; stakker; stuk ongeluk; stumper; zielenpiet

Verwante woorden van "schooier":


Wiktionary: schooier

schooier
noun
  1. a roving vagabond

Cross Translation:
FromToVia
schooier beggar gueux — (vieilli) ou ironique|fr Celui qui fait métier de demander l’aumône, mendiant.