Nederlands

Uitgebreide vertaling voor uit (Nederlands) in het Engels

uit:

uit bijvoeglijk naamwoord

  1. uit (vanaf deze plaats; weg)
    off; from; out
    • off bijvoeglijk naamwoord
    • from bijvoeglijk naamwoord
    • out bijvoeglijk naamwoord
  2. uit (af; voltooid; over; )
    over; finished; accomplished; out; completed; ready; prepared; ready for use; achieved; concluded; evident; clear
  3. uit (voltooid; klaar; beëindigd; )
    over; accomplished; finished; achieved; completed; ready; complete
  4. uit (vanaf nu; van; vanuit)
    from; as from now; out; of today

Vertaal Matrix voor uit:

WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
clear afdekken; afruimen; banen; bevrijden; dechargeren; emanciperen; inklaren; klaren; ledigen; leeghalen; leegmaken; legen; onschuldig verklaren; opruimen; reinigen; ruimen; schoonmaken; schoonpoetsen; uithalen; uitmesten; uitruimen; uitschakelen; uitverkopen; verlossen; verrekenen; vrijmaken; vrijpleiten; vrijspraak bepleiten; vrijspreken; vrijvechten; wissen; zuiveren
complete afkrijgen; afmaken; afronden; afwerken; beëindigen; compleet maken; completeren; een einde maken aan; klaarkrijgen; klaarmaken; perfectioneren; vervolledigen; vervolmaken; volbrengen; volledig maken; volmaken; voltooien
finished ten einde zijn
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
accomplished af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij
complete af; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij afgerond; algeheel; allemaal; alles; compleet; gecompleteerd; helemaal; kompleet; plenair; totaal; volkomen; volledig; volslagen; voltallig
completed af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij af; afgerond; beëindigd; gecompleteerd; gedaan; gereed; klaar; uitgevoerd; verricht; volbracht; voleindigd
concluded af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij
evident af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij apert; duidelijk; flagrant; overduidelijk; zo klaar als een klontje; zonneklaar
finished af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij aan stukken; af; afgemat; beëindigd; defect; dodelijk vermoeid; doodmoe; doodop; doorgekookt; gaar; gebroken; gedaan; gereed; hondsmoe; in stukken; kapot; klaar; onklaar; op; stuk; volbracht
prepared af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij bedacht; gereed; gewapend; klaar; paraat; voorbereid
ready af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij bereidvaardig; bereidwillig; doorgekookt; gaar; gedaan; gedwee; gereed; gewillig; inschikkelijk; klaar; meegaand; paraat; soepel; toegeeflijk; toegevend; welwillend
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
from van
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
achieved af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij
as from now uit; van; vanaf nu; vanuit
clear af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij aanschouwelijk; begrijpelijk; bevattelijk; blank; bleek; blij; blijgeestig; blijmoedig; dartel; direct; doorschijnend; doorzichtig; duidelijk; duidelijk klinkend; fideel; flagrant; fleurig; geestig; helder; helderklinkend; herkenbaar; inzichtelijk; jolig; klaar; klaar als een klontje; klare; kleurig; kleurloos; kwiek; levendig; loos; lustig; monter; onbewolkt; ongekleurd; onmiskenbaar; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; overduidelijk; recht door zee; regelrecht; transparant; uitgelaten; verhelderend; verstaanbaar; vrij; vrolijk; wakker; welgemoed; zo klaar als een klontje; zonder taak; zonneklaar; zonnig
from uit; van; vanaf deze plaats; vanaf nu; vanuit; weg
of today uit; van; vanaf nu; vanuit eigentijds; hedendaags; hedendaagse; modern; tijdseigen
off uit; vanaf deze plaats; weg af; beëindigd; eraf; ernaast; ervandoor; ervantussen; fout; foutief; gedaan; gereed; klaar; mis; onjuist; onwaar; ten onrechte; verkeerd; volbracht
out af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; van; vanaf deze plaats; vanaf nu; vanuit; voltooid; voorbij; weg daaruit; er op uit; er uit; ertussenuit; eruit; op stap; weg
over af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij boven; bovenop; doorgekookt; erboven; gaar; gedaan; gepasseerd; gereed; omver; over; overheen; voorbij
ready for use af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij gebruiksklaar; gereed; klaar; operationeel; paraat

Antoniemen van "uit":


Verwante definities voor "uit":

  1. ergens vandaan1
    • mijn vader komt uit Turkije1
  2. afgelopen, het werkt niet meer1
    • het spel is uit1
  3. naar buiten1
    • we gaan vanavond uit1
  4. niet langer in de mode1
    • wijde rokken zijn uit1
  5. van binnen naar buiten1
    • ga de klas uit!1
  6. van je lichaam afhalen1
    • doe je jas uit1
  7. vanwege, op grond van1
    • zij deed het uit liefde1

Wiktionary: uit

uit
preposition
  1. geeft aan van welke plaats iets komt
adverb
  1. niet aan, stand van een apparaat
  2. balsport term voor als de bal buiten de lijnen van het speelveld is geraakt
uit
adverb
  1. into a state of non-operation or non-existence
  2. into a state of non-operation
  3. away from expected or default place
  4. at a distance
en-prep
  1. with the source or provenance of or at
  2. with the origin, starting point or initial reference of or at
  3. away from the inside
  4. -
  5. from the inside to the outside of
  6. with the motivation of
adjective
  1. extinguished, no longer alight (of fire, candles etc.)
  2. released, available

Cross Translation:
FromToVia
uit used up; all gone allemitteldeutsch und norddeutsch, (umgangssprachlich): leer, nicht mehr vorrätig
uit from; out of ausmit Dativ: von drinnen nach draußen

uiten:

uiten werkwoord (uit, uitte, uitten, geuit)

  1. uiten (uitdrukking geven aan; uitdrukken; verwoorden; uiting geven aan; vertolken)
    to express; to utter; give expression to; express oneself; to impersonate; to ventilate; reveal oneself; to talk; to speak
  2. uiten (spuien)
    to spout; to express; to unload
    • spout werkwoord (spouts, spouted, spouting)
    • express werkwoord (expresss, expressed, expressing)
    • unload werkwoord (unloads, unloaded, unloading)

Conjugations for uiten:

o.t.t.
  1. uit
  2. uit
  3. uit
  4. uiten
  5. uiten
  6. uiten
o.v.t.
  1. uitte
  2. uitte
  3. uitte
  4. uitten
  5. uitten
  6. uitten
v.t.t.
  1. heb geuit
  2. hebt geuit
  3. heeft geuit
  4. hebben geuit
  5. hebben geuit
  6. hebben geuit
v.v.t.
  1. had geuit
  2. had geuit
  3. had geuit
  4. hadden geuit
  5. hadden geuit
  6. hadden geuit
o.t.t.t.
  1. zal uiten
  2. zult uiten
  3. zal uiten
  4. zullen uiten
  5. zullen uiten
  6. zullen uiten
o.v.t.t.
  1. zou uiten
  2. zou uiten
  3. zou uiten
  4. zouden uiten
  5. zouden uiten
  6. zouden uiten
en verder
  1. ben geuit
  2. bent geuit
  3. is geuit
  4. zijn geuit
  5. zijn geuit
  6. zijn geuit
diversen
  1. uit!
  2. uitt!
  3. geuit
  4. uitend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor uiten:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
spout schenktuit; tuit
talk achterklap; gebabbel; geklap; geklep; geklets; gekout; gepraat; geroddel; gesprek; klap; klets; mondeling onderhoud; onderhoud; praat; praatjes; roddel; roddelpraat; roddels; samenspraak
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
express spuien; uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden betonen; betuigen; formuleren; openbaren; tot uitdrukking brengen; verbaliseren; verwoorden; zich uiten
express oneself uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
give expression to uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
impersonate uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden acteren; een rol vertolken; toneelspelen; uitbeelden; verbeelden; verpersonificeren; vertolken
reveal oneself uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
speak uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden aanroepen; babbelen; communiceren; een conversatie hebben; in contact staan; kakelen; klappen; kletsen; kwebbelen; kwekken; kwetteren; onderwerp behandelen; praaien; praten; snateren; spreken; spreken over; wauwelen; zwammen
spout spuien; uiten met spuit een medicijn toedienen; spuiten; spurten; tuiten; uitspuiten
talk uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden babbelen; bezet zijn; communiceren; converseren; een conversatie hebben; in contact staan; in gesprek zijn; kakelen; klappen; kletsen; kouten; kwebbelen; kwekken; kwetteren; praten; snateren; spreken; wauwelen; zwammen
unload spuien; uiten lossen; uitladen
utter uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
ventilate uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden naar voren brengen; ontluchten; opmerken; ter sprake brengen; toedragen; toevoeren; ventileren; vertellen; verwoorden; zeggen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
utter baarlijk; compleet; faliekant; finaal; hartstikke; helemaal; totaal; vierkant; volledig; volstrekt

Wiktionary: uiten

uiten
verb
  1. zeggen
uiten
verb
  1. -
  2. say
  3. use the voice
  4. make speech sounds
adjective
  1. absolute

Cross Translation:
FromToVia
uiten describe; act for; stand for; play; enact; perform; express; put; register représenterprésenter de nouveau.

Verwante vertalingen van uit