Overzicht


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor wankel (Nederlands) in het Engels

wankel:

wankel bijvoeglijk naamwoord

  1. wankel (krakkemikkig; zwak; gammel)
    ragged; wonky; ramshackle; wobbly; rickety
  2. wankel (wankelend; wankelbaar; rank; los; onvast)
    unstable; staggering; waddling; unsettled; toddling; rickety; tottering

Vertaal Matrix voor wankel:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
staggering gesteiger
tottering wankeling
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ragged gammel; krakkemikkig; wankel; zwak armoedig; flodderig; haveloos; pover; schamel; sjofel; sjofeltjes; verlopen
ramshackle gammel; krakkemikkig; wankel; zwak wrak
rickety gammel; krakkemikkig; los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend; zwak wrak
staggering los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend waggelend
tottering los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend waggelend
unsettled los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend onbeslist; onbestendig; onuitgemaakt; veranderlijk; wisselvallig
unstable los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend gedesequilibreerd; grillig; inconsistent; insolide; nukkig; onberekenbaar; onevenwichtig; onstabiel; onvoorspelbaar; onzeker; variabel; variërend; veranderlijk; wankel evenwicht; wiebelend; wiebelig; wispelturig; wisselend; wisselvallig
wobbly gammel; krakkemikkig; wankel; zwak schommelend
wonky gammel; krakkemikkig; wankel; zwak wrak
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
toddling los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend waggelend
waddling los; onvast; rank; wankel; wankelbaar; wankelend waggelend

Verwante woorden van "wankel":

  • wankelheid, wankelst, wankelste, wankele

Wiktionary: wankel

wankel
adjective
  1. wat niet stevig staat
wankel
adjective
  1. by extension, hobbling
  2. not strong because of poor construction or upkeep
noun
  1. an unsteady movement of the body in walking or standing

Cross Translation:
FromToVia
wankel wobbly; rickety; lopsided bancal — Non droit, qui a une jambe tordue
wankel volage volage — Qui est changeant et léger.

wankelen:

wankelen werkwoord (wankel, wankelt, wankelde, wankelden, gewankeld)

  1. wankelen
    to sway; to stagger; to falter
    • sway werkwoord (sways, swayed, swaying)
    • stagger werkwoord (staggers, staggered, staggering)
    • falter werkwoord (falters, faltered, faltering)

Conjugations for wankelen:

o.t.t.
  1. wankel
  2. wankelt
  3. wankelt
  4. wankelen
  5. wankelen
  6. wankelen
o.v.t.
  1. wankelde
  2. wankelde
  3. wankelde
  4. wankelden
  5. wankelden
  6. wankelden
v.t.t.
  1. heb gewankeld
  2. hebt gewankeld
  3. heeft gewankeld
  4. hebben gewankeld
  5. hebben gewankeld
  6. hebben gewankeld
v.v.t.
  1. had gewankeld
  2. had gewankeld
  3. had gewankeld
  4. hadden gewankeld
  5. hadden gewankeld
  6. hadden gewankeld
o.t.t.t.
  1. zal wankelen
  2. zult wankelen
  3. zal wankelen
  4. zullen wankelen
  5. zullen wankelen
  6. zullen wankelen
o.v.t.t.
  1. zou wankelen
  2. zou wankelen
  3. zou wankelen
  4. zouden wankelen
  5. zouden wankelen
  6. zouden wankelen
diversen
  1. wankel!
  2. wankelt!
  3. gewankeld
  4. wankelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor wankelen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
sway slingerende beweging; slingering; zwaai
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
falter wankelen blijven steken; hakkelen; haperen; stamelen; stokken; stotteren; vastlopen; versagen
stagger wankelen overdonderen; verbluffen; waggelen
sway wankelen heen en weer zwaaien; schommelen; slingeren; waggelen; wiebelen; wiegelen; wiegen

Wiktionary: wankelen

wankelen
verb
  1. onvast op de voeten staan, dreigen te vallen
wankelen
verb
  1. to walk in an awkward, drunken fashion
  2. tilt back and forth on an edge
  3. to sway unsteadily from one side to the other
  4. to falter; become unsteady; begin to fail or give way
  5. move with an uneven or rocking motion

Cross Translation:
FromToVia
wankelen hesitate; waver; falter; rock; stagger; totter; vacillate; wobble barguigner — (familier, fr) hésiter, avoir de la peine à se déterminer, particulièrement quand il s’agir d’un achat, d’une affaire, d’un traité.
wankelen stagger; teeter; totter chanceler — Être peu ferme sur ses pieds
wankelen hesitate; at a loss for words; waver; falter; pause hésiter — Être incertain, indécis sur le parti, sur la résolution que l’on doit prendre.

Verwante vertalingen van wankel