Nederlands

Uitgebreide vertaling voor geregeld (Nederlands) in het Spaans

geregeld:

geregeld bijvoeglijk naamwoord

  1. geregeld (regulier; regelmatig; op vaste tijden)
    regular; normal; ordinario
  2. geregeld (georganiseerd)
    organizado; agenciado; coordinado
  3. geregeld (met vast ritme; regelmatig)
    periódico; a menudo; con frecuencia; varias veces; frecuentemente; sistemático; regular; frecuente; muchas veces; habitualmente; metódico; usualmente; regulado; repetidamente

Vertaal Matrix voor geregeld:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
periódico courant; dagblad; krant; nieuwsblad
regular afstellen; afstemmen; inregelen; instellen; regelen
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
regular afdoen; afhandelen; afstellen; afstemmen; beslechten; bijstellen; regelen; reguleren; twist uit de weg ruimen; zich voegen
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
periódico geregeld; met vast ritme; regelmatig dikwijls; frequent; meermaals; menigmaal; periodiek; regelmatig; terugkerend; vaak; veelvuldig
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
a menudo geregeld; met vast ritme; regelmatig dikwijls; frequent; herhaald; meermaals; menigmaal; regelmatig; vaak; veel; veelvuldig
agenciado georganiseerd; geregeld
con frecuencia geregeld; met vast ritme; regelmatig dikwijls; frequent; herhaald; herhaaldelijk; meermaals; menigmaal; regelmatig; telkens; vaak; veel; veelvuldig
coordinado georganiseerd; geregeld
frecuente geregeld; met vast ritme; regelmatig bezet; dikwijls; druk; drukbezet; frequent; herhaald; meermaals; menigmaal; regelmatig; vaak; veel; veelvuldig
frecuentemente geregeld; met vast ritme; regelmatig dikwijls; frequent; meermaals; menigmaal; regelmatig; vaak; veel; veelvuldig
habitualmente geregeld; met vast ritme; regelmatig algemeen; doodgewoon; doorgaans; gangbaar; gebruikelijk; gemeen; gemeenlijk; gewoon; gewoonlijk; meestal; merendeels; normaal; normaliter; over het algemeen; veel
metódico geregeld; met vast ritme; regelmatig fatsoenlijk; methodisch; netjes; ordentelijk; planmatig; stelselmatig; systematisch
muchas veces geregeld; met vast ritme; regelmatig veel
normal geregeld; op vaste tijden; regelmatig; regulier doodgewoon; gangbaar; gebruikelijk; gemeen; gewoon; normaal
ordinario geregeld; op vaste tijden; regelmatig; regulier alledaags; boefachtig; boosaardig; courant; doodgewoon; eenvoudig; gangbaar; gebruikelijk; gemeen; gewend; gewoon; gluiperig; laag; laag-bij-de-grond; laaghartig; niets bijzonders; normaal; onedel; ordinair; ploertig; schurkachtig; vals
organizado georganiseerd; geregeld georderd
regulado geregeld; met vast ritme; regelmatig fatsoenlijk; goed geordend; methodisch; netjes; ordentelijk; planmatig; stelselmatig; systematisch; welgeordend
regular geregeld; met vast ritme; op vaste tijden; regelmatig; regulier dikwijls; doorsnee; fatsoenlijk; frequent; gemiddeld; goed geordend; matig; medium; meermaals; menigmaal; met regelmaat; methodisch; middelmatig; min; modaal; netjes; niet al te best; onbeduidend; ordentelijk; planmatig; regelmatig; stelselmatig; systematisch; vaak; veelvuldig; welgeordend; zwak; zwakjes
repetidamente geregeld; met vast ritme; regelmatig herhaald; veel
sistemático geregeld; met vast ritme; regelmatig fatsoenlijk; methodisch; netjes; ordentelijk; planmatig; stelselmatig; systematisch
usualmente geregeld; met vast ritme; regelmatig dikwijls; doorgaans; frequent; gemeenlijk; gewoonlijk; meermaals; meestal; menigmaal; regelmatig; vaak; veelvuldig
varias veces geregeld; met vast ritme; regelmatig herhaald; veel

Synoniemen voor "geregeld":


Antoniemen van "geregeld":


Verwante definities voor "geregeld":

  1. wat regelmatig terugkeert1
    • hij komt geregeld te laat1
  2. waar regelmaat in zin1
    • wij hebben een geregeld leven1

Wiktionary: geregeld


Cross Translation:
FromToVia
geregeld regularmente regelmäßig — in festen örtlichen oder zeitlichen Abständen wiederholen
geregeld puntual; exacto; formal régulier — Qui a de la régularité, qui est conforme à des règles, soit naturelles, soit de convention ; qui est constant, uniforme.

regelen:

regelen werkwoord (regel, regelt, regelde, regelden, geregeld)

  1. regelen (iets op touw zetten; arrangeren)
    arreglar; organizar; iniciar; estructurar; poner; establecer; comenzar; construir; fundar; erigir; poner en pie; levantar; montar; formar
  2. regelen (schikken)
  3. regelen (arrangeren; afspreken; bedisselen)
    arreglar; dirigir
  4. regelen (afstemmen; bijstellen; afstellen)
    ajustar; regular; sintonizar
  5. regelen (in orde maken; klaren; afdoen)

Conjugations for regelen:

o.t.t.
  1. regel
  2. regelt
  3. regelt
  4. regelen
  5. regelen
  6. regelen
o.v.t.
  1. regelde
  2. regelde
  3. regelde
  4. regelden
  5. regelden
  6. regelden
v.t.t.
  1. heb geregeld
  2. hebt geregeld
  3. heeft geregeld
  4. hebben geregeld
  5. hebben geregeld
  6. hebben geregeld
v.v.t.
  1. had geregeld
  2. had geregeld
  3. had geregeld
  4. hadden geregeld
  5. hadden geregeld
  6. hadden geregeld
o.t.t.t.
  1. zal regelen
  2. zult regelen
  3. zal regelen
  4. zullen regelen
  5. zullen regelen
  6. zullen regelen
o.v.t.t.
  1. zou regelen
  2. zou regelen
  3. zou regelen
  4. zouden regelen
  5. zouden regelen
  6. zouden regelen
en verder
  1. is geregeld
diversen
  1. regel!
  2. regelt!
  3. geregeld
  4. regelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

regelen [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het regelen (organiseren)
    el organizar
  2. het regelen (inregelen; afstemmen; instellen; afstellen)
    el regular; el atonar; el poner a tono

Vertaal Matrix voor regelen:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
arreglar afhandelen; ordenen; schikken
atonar afstellen; afstemmen; inregelen; instellen; regelen
comenzar aanheffen; inzetten
dirigir besturen; leidinggeven
iniciar aansnijden; entameren
levantar omhoog steken; omhoog werpen; opsteken; opwerpen
organizar organiseren; regelen
poner a tono afstellen; afstemmen; inregelen; instellen; regelen
regular afstellen; afstemmen; inregelen; instellen; regelen
sintonizar afstelling; afstemmen; afstemming
tener listo klaarhebben
terminar afmaken; afwerken; afwikkelen; uitpraten; uitpraten tot het eind; uitspreken; zaakafwikkeling
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
ajustar afstellen; afstemmen; bijstellen; regelen aanpassen; afstellen; afstemmen; betamen; bijstellen; conveniëren; correct zijn; deugen; ervan uitgaan; fijn bewerken; geschikt zijn; herstellen; in orde brengen; in orde maken; innaaien; kloppen; overeenbrengen; passen; passend zijn; repareren; strak maken; uitkomen; uitlijnen; uitrekken; vernieuwen
arreglar afdoen; afspreken; arrangeren; bedisselen; iets op touw zetten; in orde maken; klaren; regelen; schikken aanzuiveren; bereiden; betalen; bijleggen; brouwen; fatsoeneren; fiksen; gereedmaken; goedmaken; herstellen; hervinden; iets regelen; iets toebereiden; in goede staat brengen; in orde brengen; in orde maken; inrichten; installeren; klaarmaken; klusje opknappen; klussen; maken; meubileren; nabetalen; opknappen; prepareren; rechtzetten; renoveren; repareren; restaureren; ruzie afsluiten; terugvinden; vereffenen; vernieuwen; voldoen; zich voegen
arreglarse regelen; schikken fiksen; klaarspelen; voor elkaar krijgen
comenzar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanleren; aansteken; aantreden; aanvangen; aanwenden; beginnen; benutten; een begin nemen; eigen maken; gebruik maken van; gebruiken; in de fik steken; inleiden; inrichten; installeren; intreden; inzetten; leren; ondernemen; op gang komen; openen; oppikken; opsteken; sigaret opsteken; starten; toepassen; toetreden; van start gaan; verwerven
construir arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanbouwen; aanbrengen; aanleggen; bebouwen; bijbouwen; bouwen; construeren; expanderen; in elkaar timmeren; ineentimmeren; inrichten; installeren; metselen; monteren en aansluiten; opbouwen; openen; plaatsen; timmerend in elkaar zetten; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; verbreiden; vermeerderen; verruimen; verwijden
dirigir afspreken; arrangeren; bedisselen; regelen aan het stuur zitten; aanvoeren; adres aanbrengen; adresseren; besturen; bevel voeren over; commanderen; dirigeren; leiden; leiding geven; leidinggeven; managen; orkest dirigeren; regisseren; sturen; verwijzen; voorzitten; zenden; zich voegen
erigir arrangeren; iets op touw zetten; regelen bouwen; construeren; omhooggooien; opgooien; oprichten; optrekken; opwerpen; overeindzetten
establecer arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanstellen; benoemen; bepalen; bouwen; construeren; determineren; initiëren; inrichten; installeren; instellen; invoeren; koloniseren; op gang brengen; oprichten; optrekken; overeindzetten; plaats toekennen; plaatsen; settelen; stichten; vaststellen; vestigen
estructurar arrangeren; iets op touw zetten; regelen inrichten; installeren; structureren; structuur aanbrengen; struktureren
finalizar afdoen; in orde maken; klaren; regelen afkrijgen; afmaken; afronden; afsluiten; afwerken; beëindigen; completeren; een einde maken aan; eindigen; gesprek beëindigen; klaarkrijgen; klaarmaken; naar einde toewerken; ophouden; stoppen; uithebben; volbrengen; volmaken; voltooien
formar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanstellen; afketsen; afstemmen; afwijzen; benoemen; bijbrengen; boetseren; formeren; in het leven roepen; initiëren; installeren; instellen; kneden; leren; maken; modelleren; onderwijzen; op gang brengen; opleiden; scheppen; scholen; terugwijzen; vervaardigen; verweren; verwerpen; vorm geven; vormen; vormgeven; wegstemmen
fundar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aarden; begronden; bouwen; construeren; funderen; gronden; grondvesten; initiëren; instellen; invoeren; koloniseren; onderbouwen; onderheien; op gang brengen; oprichten; settelen; stichten; vestigen
iniciar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanbinden; aanbreken; aangaan; aanknopen; aanvangen; aanwenden; beginnen; benutten; bezigen; een begin nemen; gang maken; gangmaken; gebruik maken van; gebruiken; hanteren; hard draven; in werking stellen; initiëren; inleiden; inwerken; inzet tonen; inzetten; ondernemen; op gang brengen; openen; opstarten; prepareren; starten; toepassen; van start gaan; voorbereiden op
levantar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aansteken; aanstrijken; afbakenen; afpalen; afzetten; begrenzen; bliksemen; bouwen; buslichten; casseren; construeren; doen ontvlammen; heffen; hernieuwen; herstellen; hijsen; hoger maken; hoger worden; hooghouden; ijlen; in de fik steken; in de hoogte houden; in de hoogte steken; jachten; jagen; jakkeren; laten gaan; laten lopen; lichten; motiveren; naar boven tillen; naar boven trekken; niet vasthouden; omhoog brengen; omhoog heffen; omhoog rukken; omhoog trekken; omhoogbrengen; omhooggooien; omhooghalen; omhoogheffen; omhooghouden; omhoogkomen; omhoogrukken; omhoogsteken; omhoogtillen; omhoogtrekken; omlijnen; opgooien; opheffen; ophijsen; ophogen; ophouden; opschieten; opstijgen; optillen; opvliegen; opwerpen; rechtop zetten; renoveren; reppen; snellen; spoeden; tillen; verbeteren; verhelpen; verhogen; verhuizen; verkassen; vernieuwen; vliegen; weerlichten; zich haasten; zich omhoogtrekken; zich optrekken aan; zich spoeden
montar arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanbinden; aanknopen; assembleren; beginnen; berijden; bestijgen; betrappen; bevestigen; bijeen voegen; bouwen; combineren; ergens aan bevestigen; in elkaar zetten; in het leven roepen; inrichten; installeren; instappen; koppelen; maken; monteren; opbouwen; samenvoegen; scheppen; snappen; vastmaken; vastzetten
organizar arrangeren; iets op touw zetten; regelen arrangeren; ficheren; groeperen; indelen; ordenen; systematiseren
poner arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanbieden; aandoen; aandraaien; aangrijpen; aanwenden; afspelen; benutten; bijzetten; deponeren; doen in; exposeren; gebruik maken van; gebruiken; iets neerleggen; inbrengen; indoen; inleggen; inschakelen; instoppen; invoegen; laten zien; leggen; neerleggen; neerzetten; offreren; onderuit halen; plaats toekennen; plaatsen; presenteren; stationeren; tentoonstellen; toepassen; tonen; tussenleggen; vertonen; voorleggen; wegleggen; zetten
poner a tono op elkaar afstemmen
poner en orden regelen; schikken bijleggen; goedmaken; herstellen; in orde brengen; in orde maken; repareren; ruzie afsluiten; vernieuwen
poner en pie arrangeren; iets op touw zetten; regelen aanstoken; aanwakkeren; aanzetten; opfokken; ophitsen; opjutten; opruien; opstoken; poken
regular afstellen; afstemmen; bijstellen; regelen afdoen; afhandelen; afstellen; afstemmen; beslechten; reguleren; twist uit de weg ruimen; zich voegen
sintonizar afstellen; afstemmen; bijstellen; regelen afstellen; afstemmen
solucionar afdoen; in orde maken; klaren; regelen ontcijferen; ontdekken; ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontwaren; ontwarren; oplossen; opsporen; tot een oplossing brengen
tener acabado afdoen; in orde maken; klaren; regelen uithebben; uitkrijgen
tener listo afdoen; in orde maken; klaren; regelen uitkrijgen
terminar afdoen; in orde maken; klaren; regelen afkijken; afkrijgen; aflopen; afmaken; afronden; afsluiten; afwerken; beslissen; besluiten; beëindigen; completeren; doden; doodmaken; doodslaan; een einde maken aan; eindigen; erdoor jagen; ermee uitscheiden; klaarkrijgen; klaarmaken; laatste gedeelte afmaken; ledigen; leegdrinken; leeghalen; leegmaken; legen; liquideren; naar einde toewerken; ombrengen; opdrinken; opgebruiken; opgeven; ophouden; opkrijgen; opmaken; oproken; perfectioneren; spieken; staken; stoppen; ten einde lopen; teneindelopen; uitdrinken; uithebben; uitkrijgen; uitraken; uitscheiden; van kant maken; vermoorden; vervolledigen; vervolmaken; volbrengen; volledig maken; volmaken; voltooien
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
regular dikwijls; doorsnee; fatsoenlijk; frequent; gemiddeld; geregeld; goed geordend; matig; medium; meermaals; menigmaal; met regelmaat; met vast ritme; methodisch; middelmatig; min; modaal; netjes; niet al te best; onbeduidend; op vaste tijden; ordentelijk; planmatig; regelmatig; regulier; stelselmatig; systematisch; vaak; veelvuldig; welgeordend; zwak; zwakjes

Verwante woorden van "regelen":


Verwante definities voor "regelen":

  1. ervoor zorgen dat het goed gaat1
    • de agent regelt het verkeer1

Wiktionary: regelen

regelen
verb
  1. zorgen dat het gebeurt

Cross Translation:
FromToVia
regelen disponer arrange — to set up, organise
regelen ocuparse; manejar deal — handle, manage
regelen regular regulate — adjust
regelen acomodar; adaptar; arreglar accommoderdonner, procurer de la commodité.
regelen arreglar arrangerarranger (transitive) (fr)
regelen disponer disposerarranger, mettre dans l’ordre le plus convenable.
regelen organizar organiserdisposer les parties d’un corps pour les fonctions auxquelles il destiner.
regelen arreglar réglertirer avec la règle des lignes droites sur du papier, du parchemin, du carton, etc. cf|papier réglé.

Verwante vertalingen van geregeld