Overzicht
Nederlands naar Spaans:   Meer gegevens...
  1. meer:
  2. meren:
  3. Wiktionary:


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor meer (Nederlands) in het Spaans

meer:

meer bijvoeglijk naamwoord

  1. meer
    más
    • más bijvoeglijk naamwoord

meer [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het meer (zoetwatermeer)
    – grote waterplas, omgeven door land 1
    el lago
    • lago [el ~] zelfstandig naamwoord

meer [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de meer
    el lago
    • lago [el ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor meer:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lago meer; zoetwatermeer
más meeste
- extra
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- aanvullend; extra
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- verder
OverVerwante vertalingenAndere vertalingen
más en; plus
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
más meer behalve dat; bovendien; daarbij; daarbovenop; daarenboven; plus

Verwante woorden van "meer":

  • meren, meers, meertje, meertjes

Synoniemen voor "meer":


Antoniemen van "meer":


Verwante definities voor "meer":

  1. nog iets erbij, een grotere hoeveelheid dan gewoonlijk1
    • ik kreeg meer geld dan vorige week1
  2. grote waterplas, omgeven door land1
    • we gaan naar het meer van Genève1
  3. vaker1
    • dat moet je meer doen!1
  4. naast dat wat al genoemd is1
    • wie waren er nog meer?1

Wiktionary: meer


Cross Translation:
FromToVia
meer ya más; ya any more — in negative or interrogative constructions
meer lago lake — body of water
meer lago See — Namensbestandteil vieler Seen[1]
meer lago See — ein stehendes Gewässer, das von Land umgeben ist
meer más davantage — Plus. (Sens général).
meer lago lac — Étendue d’eau (1):
meer charca mare — petit lac, étendue d’eau
meer más plus — Comparatif de beaucoup
meer adicional supplémentaire — Qui sert de supplément, qui s’ajouter.

meren:

meren [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de meren
    el lagos
    • lagos [el ~] zelfstandig naamwoord

meren werkwoord (meer, meert, meerde, meerden, gemeerd)

  1. meren (vastmeren; aanleggen; aanmeren; )
    amarrar

Conjugations for meren:

o.t.t.
  1. meer
  2. meert
  3. meert
  4. meren
  5. meren
  6. meren
o.v.t.
  1. meerde
  2. meerde
  3. meerde
  4. meerden
  5. meerden
  6. meerden
v.t.t.
  1. heb gemeerd
  2. hebt gemeerd
  3. heeft gemeerd
  4. hebben gemeerd
  5. hebben gemeerd
  6. hebben gemeerd
v.v.t.
  1. had gemeerd
  2. had gemeerd
  3. had gemeerd
  4. hadden gemeerd
  5. hadden gemeerd
  6. hadden gemeerd
o.t.t.t.
  1. zal meren
  2. zult meren
  3. zal meren
  4. zullen meren
  5. zullen meren
  6. zullen meren
o.v.t.t.
  1. zou meren
  2. zou meren
  3. zou meren
  4. zouden meren
  5. zouden meren
  6. zouden meren
en verder
  1. ben gemeerd
  2. bent gemeerd
  3. is gemeerd
  4. zijn gemeerd
  5. zijn gemeerd
  6. zijn gemeerd
diversen
  1. meer!
  2. meert!
  3. gemeerd
  4. merend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor meren:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lagos meren
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
amarrar aanleggen; aanmeren; afmeren; meren; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren afbinden; afsnoeren; binden; blokken; dichtbinden; knevelen; knopen; leerstof erin stampen; leren; strikken; studeren; toebinden; vastbinden; vastmaken; vastsjorren; vastsnoeren; verankeren; zekeren

Verwante woorden van "meren":


Wiktionary: meren


Cross Translation:
FromToVia
meren anclar; amarrar moor — to fix or secure, as a vessel, in a particular place by casting anchor, or by fastening with cables or chains
meren ligar; anudar; relacionar; atar; vincular lierserrer avec une corde ou avec toute autre chose flexible.

Verwante vertalingen van meer