Overzicht
Nederlands naar Frans:   Meer gegevens...
  1. meer:
  2. Meer:
  3. meren:
  4. Wiktionary:
  5. Gebruikers suggesties voor meer:
    • plus de


Nederlands

Uitgebreide vertaling voor meer (Nederlands) in het Frans

meer:

meer bijvoeglijk naamwoord

  1. meer
    davantage; plus

meer [het ~] zelfstandig naamwoord

  1. het meer (zoetwatermeer)
    – grote waterplas, omgeven door land 1
    le lac; l'étang
    • lac [le ~] zelfstandig naamwoord
    • étang [le ~] zelfstandig naamwoord

meer [de ~ (m)] zelfstandig naamwoord

  1. de meer
    le lac
    • lac [le ~] zelfstandig naamwoord

Vertaal Matrix voor meer:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lac meer; zoetwatermeer
plus en; meeste; plusteken
étang meer; zoetwatermeer plas; poel; vijver
- extra
Bijvoeglijk NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- aanvullend; extra
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
- verder
BijwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
davantage meer
plus meer

Verwante woorden van "meer":

  • meren, meers, meertje, meertjes

Synoniemen voor "meer":


Antoniemen van "meer":


Verwante definities voor "meer":

  1. nog iets erbij, een grotere hoeveelheid dan gewoonlijk1
    • ik kreeg meer geld dan vorige week1
  2. grote waterplas, omgeven door land1
    • we gaan naar het meer van Genève1
  3. vaker1
    • dat moet je meer doen!1
  4. naast dat wat al genoemd is1
    • wie waren er nog meer?1

Wiktionary: meer

meer
  1. Plus. (Sens général).
  2. Comparatif de beaucoup
noun
  1. Étendue d’eau (1):
  2. petit lac, étendue d’eau
adjective
  1. Qui sert de supplément, qui s’ajouter.

Cross Translation:
FromToVia
meer lac lake — body of water
meer lac See — Namensbestandteil vieler Seen[1]
meer lac See — ein stehendes Gewässer, das von Land umgeben ist

Meer:

Meer bijvoeglijk naamwoord

  1. Meer

Meer bijwoord

  1. Meer

Vertaal Matrix voor Meer:

Not SpecifiedVerwante vertalingenAndere vertalingen
Autres Meer
Plus Meer

meren:

meren [de ~] zelfstandig naamwoord, mv.

  1. de meren
    le lacs; l'étangs
    • lacs [le ~] zelfstandig naamwoord
    • étangs [le ~] zelfstandig naamwoord

meren werkwoord (meer, meert, meerde, meerden, gemeerd)

  1. meren (vastmeren; aanleggen; aanmeren; )
    accoster; aborder; amarrer
    • accoster werkwoord (accoste, accostes, accostons, accostez, )
    • aborder werkwoord (aborde, abordes, abordons, abordez, )
    • amarrer werkwoord (amarre, amarres, amarrons, amarrez, )

Conjugations for meren:

o.t.t.
  1. meer
  2. meert
  3. meert
  4. meren
  5. meren
  6. meren
o.v.t.
  1. meerde
  2. meerde
  3. meerde
  4. meerden
  5. meerden
  6. meerden
v.t.t.
  1. heb gemeerd
  2. hebt gemeerd
  3. heeft gemeerd
  4. hebben gemeerd
  5. hebben gemeerd
  6. hebben gemeerd
v.v.t.
  1. had gemeerd
  2. had gemeerd
  3. had gemeerd
  4. hadden gemeerd
  5. hadden gemeerd
  6. hadden gemeerd
o.t.t.t.
  1. zal meren
  2. zult meren
  3. zal meren
  4. zullen meren
  5. zullen meren
  6. zullen meren
o.v.t.t.
  1. zou meren
  2. zou meren
  3. zou meren
  4. zouden meren
  5. zouden meren
  6. zouden meren
en verder
  1. ben gemeerd
  2. bent gemeerd
  3. is gemeerd
  4. zijn gemeerd
  5. zijn gemeerd
  6. zijn gemeerd
diversen
  1. meer!
  2. meert!
  3. gemeerd
  4. merend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Vertaal Matrix voor meren:

Zelfstandig NaamwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
lacs meren
étangs meren
WerkwoordVerwante vertalingenAndere vertalingen
aborder aanleggen; aanmeren; afmeren; meren; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren aankaarten; aanknopen; aanroepen; aansnijden; aanvoeren; aflopen; een voorstel doen; entameren; enteren; gesprek aanknopen; naar voren brengen; naderen; op tafel leggen; openen; opmerken; opperen; opwerpen; praaien; raken; starten; te berde brengen; tegemoetkomen; ter sprake brengen; terechtkomen; toenaderen; toeroepen; treffen; vergaan; verlopen; verstrijken; vertellen; vervallen; verwoorden; voorbijgaan; zeggen
accoster aanleggen; aanmeren; afmeren; meren; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren aanroepen; praaien; toeroepen
amarrer aanleggen; aanmeren; afmeren; meren; vastbinden; vastleggen; vastmaken; vastmeren aan een touw vastleggen; sjorren; vastleggen; vastsnoeren

Verwante woorden van "meren":


Wiktionary: meren

meren
Cross Translation:
FromToVia
meren ancrer; amarrer moor — to fix or secure, as a vessel, in a particular place by casting anchor, or by fastening with cables or chains

Verwante vertalingen van meer